Sport en spel

Eric De Bie - Jeugdherinneringen

 

Olympische spelen in Baardegem

Op de kelderkamer van 't leeg huis prijkte onze recordtabel. Dat was een groot bord met alle beste prestaties tijdens officiële wedstrijden neergezet. Het hielp dus niet dat ik tegen onze Marc zei – loog (?) - dat ik op training de kogel 12 cm verder had gegooid dan het bestaande record.

Die officiële wedstrijden waren de in de vakantie vierdagelijks (in geval de vierde dag een zondag was : vijfdagelijks) gehouden Olympische Spelen.

De verschillende disciplines waren :

  • de 60 meter : spurt vanaf de poort van de familie Cornelis ( ‘de poët’ )
  • de 800 meter : langs de Achtersten bos en de riejeten (rootput), het Schippersbaantje, de Mechelse weg en de Hoogstraat, tot aan ons voordeur
  • de 1500 meter : rond de Zwanennest
  • kogelstoten : met een ongeveer 3 kg wegende kasseisteen
  • speerwerpen : met een bezemsteel
  • discuswerpen : met een wieltje van de versleten kinderauto
  • verspringen
  • hoogspringen

De tijden werden opgenomen – tot op één tiende nauwkeurig nota bene – met de wekker van ons moeder. Gelukkig vertoonde die ook een secondewijzer.

 

De afstanden van de werpnummers werden gemeten met een plooimeter die we telkens stiekem uit de werkzak van papa moesten lenen. Eén keer zijn we die vergeten terug te steken. ’s Anderdaags zwaaide er wat want moeiteloos legde hij de link van het ontbreken van zijn meter naar onze sportactiviteiten.

 

Overigens waren die nummers niet van gevaar ontbloot.

Het eerste gevaar was latent aanwezig : Poliet, boer-eigenaar van het stadion waar onze spelen doorgingen. Die was niet altijd even gelukkig met het gratis gebruik van zijn weilanden, waardoor, naar zijn zeggen, de toekomst van zijn hooi geweldig gehypothekeerd werd. Af en toe kwam hij dan ook eens kijken en dan moesten we met al onze werptoestellen hals over kop vluchten.

Een tweede gevaar waren die toestellen zelf. Zo heeft Raymond De Bolle eens onze ‘kogel’, geworpen door Frans Robberechts in zijn zij gekregen. Prompt verloor hij het bewustzijn – later bleek door gebrek aan zuurstof – en ik dacht werkelijk dat hij ging sterven. Ik was doodsbang. Bovendien had ik hem net voordien nog geweldig horen vloeken omwille van een gemiste speerworp, zodat hij ook de weg naar de hemel niet zo vanzelfsprekend zou vinden. Gelukkig vond hij na een paar minuten – ik denk nog altijd na een paar úúr – zijn adem terug. Ook zijn vloekkracht kwam snel terug – en ik was er godverdoeme nog blij om ook.

De springnummers deden we het liefst op een deel van een veld waar recentelijk wat patatten waren gerooid. Dat bewerkten we nog een beetje met een rijf totdat een heuse springbak ontstond. Het hoogspringstel bestond uit twee uit de Achterste bos gerooide stevige twijgen van een es waaraan en waartussen een touw werd gespannen. Die koorde gaf bij een mislukte sprong niet mee, waardoor er soms pijnlijke situaties ontstonden. Dat pijnlijk aspect betrof niet alleen het falen zelf, maar ook de rode striemen die het touw op onze billen achterliet.

De meeste discussies annex ruzies ontstonden bij het verspringen : was de afzet nu juist vóór of juist achter de startbalk ? Wat was zijn verste punt, zijn voetspoor of achterwerkspoor ?

 

De meeste van die records werden gehouden door onze Marc en Fong van Meldert, Alfons De Maght, zoon van tante Alice en nonkel Petrus. Dat was ook niet moeilijk : ze waren veruit de oudste van de groep. Ik moest vanwege mijn fysionomie – ik was wel niet dik, alleen een beetje struis - overigens ook niet op veel records rekenen. Alleen in kogelstoten had ik een kans, maar op het moment van de waarheid ging ik steevast kapot aan de stress.

Onze Olympische spelen kenden hun hoogtepunt in 1952 en 1953, de periode na de echte spelen van Helsinki in 1952, die we beter hadden leren kennen via een prismaboekje geschreven door Leo Pagano, een Nederlands radioreporter.

 

Onze sportactiviteiten bleven echter niet beperkt tot die olympische spelen. We beoefenden, als de omstandigheden het toelieten, alle mogelijke sporten. Behalve watersporten en dat zal dan alleen maar te maken hebben gehad met het feit dat er niet zo’n massa water in onze buurt te vinden was.

 

Vissen

Het enige wat in verband met water gedaan werd was vissen in de Bevenhoutenbeek.

Dat deden we met zelfgemaakte netten : een lange pinnepjèts uit den bos, een stevige ijzerdraad als rand waaraan gaasdraad met kleine gaatjes of een ajuinzakje werd vastgemaakt. Ik heb er ook weten het verzijp van hun moeder gebruiken om dikkoppen te pakken (soms was er alleen maar puitegerèk, kikkerdril). We volgden, vanaf de Zwanennest tot aan de Koestaart, de loop van de beek. Op sommige plaatsen vertoonden die een natuurlijke verbreding, een koenkel, waar wat langer vertoefd werd, kwestie van wat te kunnen plonzen, zwemmen noemden sommigen dat. Hoewel onze buit enkel bestond uit wat stekelbaarsjes en, zoals gezegd dikkoppen, was het toch een zéér prettige bezigheid. Zo'n stekelbaarsje zien blinkend spartelen in je net gaf een ongelooflijke kik. We probeerden die visjes thuis te temmen, maar na een paar dagen gingen die op hun zomerzij liggen om snel nadien de geest te geven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met grote uitzondering gingen we ook vissen in de Molenbeek; wij dachten dat daar meer zou te vangen zijn omdat ze wat breder was dan onze beek. We startten dan aan de idyllische omgeving van Meldert-vijver en het café 'In de mooie molen' aan de overkant. Het grote rad waarmee jaren vroeger de molen zal gedraaid hebben, was nog aanwezig. Ooit heb ik daar Raymond De Bolle ( dezelfde van onze kogel, de sukkel ) van die zware as van het rad in de Molenbeek zien glijden, zo'n twee meter dieper. De Bollekes waren een taai ras - hij kneep de ratten met zijn blote handen dood toen hun tesser gelost werd - maar toen weende hij, en vloeken nog veel harder. Op diezelfde visrooftocht trapte onze andere metgezel, Paul De Gols, in een grote rattenval ( later vernamen we dat die ijzers gelegd werden om een nieuw soort rat, de muskusrat, te vangen). Gelukkig had hij stevige botten aan, maar de sporen waren toch duidelijk te zien op schoeisel én voet.

 

Wintersporten

Eigenlijk was er nog een sport waarbij water, weliswaar in zijn gestolde vorm, een onmisbaar element was : schaatsen en aanverwanten.

De winter van 1956 was wat dat betreft een voltreffer. Januari was nat en warm. De 31e januari, een zondag, werd het plots zeer koud, het begon te vriezen en te sneeuwen en het vroor gans de maand februari waardoor de sneeuw bleef liggen. Toen hebben we in de grachten en de beken wat afgeschaatst ! Eigenlijk was dat meer glijden, schauëven, noemden we dat, want onze schaatsen waren gewoon onze botten of, beter nog, onze houten blokken (er waren er ook wel die experimenteerden met het vervormd handvat van een oude emmer onder hun schoenen).

Op het einde van de baun bevond zich, achter de huizen van de families Cornelis en De Bolle, de wei van Carleejes met de twee rijen grote canada's en vervolgens een grote wei, eigendom van Kornels, de familie Vermeir.

Die weide helde vanachter de hof van Honoré Monsieur, sterk naar beneden. Bovendien was er in het midden van die weide een soort vijver van zo'n 30 op 20 meter en één meter diepte. Normaal stond die vijver leeg en was dat gewoon weide waar in de zomer de koeien graasden, maar nu was die in januari vol water en in februari vol ijs en sneeuw. Een ideale biotoop om alle ijs- en sneeuwsporten te beoefenen.

 

Bobsleeën deden we met een ijsstoel. Dat gebeurde aldus. We duwden vanaf het hoogste punt van de wei, vlak achter de hof van Honoré dus, onze slee vóór ons uit, de helling af. Net voor we aan de vijver kwamen sprongen we erop. En dan begon de sensatie : zo'n 30 meter tegen vrij hoge snelheid verder glijden, zonder iets te hoeven doen. Als je snelheid hoog genoeg was, geraakte je zelfs uit de vijver en kon je nog een paar meter op de besneeuwde weide verder. We maakten er dan maar vlug een bijkomende wedstrijd van : zo ver mogelijk geraken.

 

IJshockey speelden we natuurlijk op de vijver. Onze puck was een houten schijfje, de stokken waren bezems. We leenden die thuis ongevraagd; er ontstond alleen een noodsituatie als er iets mee gebeurde. Maar dat was dan ieders individueel probleem. Het gebeurde wel dat iemand een paar dagen werkloos op de bank zat bij gebrek aan materiaal. Maar dan haalde de creativiteit de bovenhand en werd, weeral met gerief uit den Bos - wat heeft die een belangrijke rol gespeeld - een oplossing gezocht en gevonden.

 

Aan het einde van zo'n vermoeiende ijsdag had ik het vaak héél koud ( ik had geen lange broek, de wanten, sjaals en mutsen waren niet echt wind- en waterdicht ) en kreeg ik verraut in mijn iegenissen, een soort koude-brand in de lies. Papa vertoonde dan schier geen kompassie, ons moeder echter, die stond mij al bijna op te wachten met haar potteken kemelsvet - de patroonheilige voor dit soort aandoeningen.

 

Ook de cyclo-cross werd des winters beoefend. Ons pad liep - alweer - door den bos en was zo ontworpen dat we zeker een paar keer van de fiets moesten en hem over onze arm op de schouder moesten gooien, net zoals Dufraisse en Firmin Van Kerrebroeck dat in het echt ook deden.

In het begin deed ik dat met mijn klein fietsje met vaste pion (je moest blijven trappen) en zonder remmen. Met dat fietsje heb ik grote afstanden afgelegd : naar Heikruis over de Moretberg, naar het Heizelstadion over de Bosbeekberg en de Wemmelberg om naar matchen van de Belgen te gaan kijken.

Tijdens één van die crossen liet mijn fietsje mij in de steek : ik reed in een put, mijn trappers draaiden voort, ik vloog over mijn stuur en kwetste mij aan mijn gevoelige delen. Ik was er onmiddellijk van overtuigd dat het erg was en dat ik misschien ging sterven want er kwam bloed uit. Ja, uit wat ? Niet uit de urinebuis maar uit een adertje daar in de geburen. Maar ik had een associatie gemaakt : bloed plassen = niet meer kunnen plassen = lam worden = doodgaan; dat kwam omdat ik ons moeder eens had horen zeggen dat Frans, de broer van Kamilleken den boj, lam was en niet meer naar het WC kon gaan. Bovendien hoorde ik ons moe aan papa vragen : 'Dau zal toch niks mè zijn teeballekes zijn zeker ?' Ik had er geen flauw vermoeden van waar die dingen zich bevonden maar aan de bezorgdheid van haar gezicht te zien, moest dat iets geweldig ernstig zijn.

Ik ben het eerstvolgende uur minstens twintig keer gaan pissen om te zien of die afgrijselijke bloedstroom al opgehouden had. Ik kreeg wat hoop toen papa voor één keer vrij meelevend vroeg : 'Est al gedaun mènne joeng ? '. Die 'mènne joeng' was een zalvend en lavend geneesmiddel omdat hij het was die dat vroeg !

Het bloeden hield op en ik genas miraculeus snel.

 

Voetballen

Natuurlijk werd er ook gevoetbald in de winter, hoewel het een spel voor alle seizoenen was. Het grote probleem van voetballen was : een geschikte accommodatie - een wei dus - vinden. Dat vinden was nog niet zo'n probleem, ons huis was als het ware een eiland in een weide-zee. Vóór ons huis, aan de overkant van de Hoogstraat, lag een prachtplein, eigendom van Moneejes; naast ons, aan de andere kant van de baun lag de wei van Dolves Poliet. Wij hadden dus schijnbaar maar voor het kiezen. Zo simpel lagen de zaken evenwel niet. Aangezien deze boeren de toekomst van de kwaliteit van hun gras maar somber inzagen, kwamen ze op zéér onregelmatige en onaangekondigde tijdstippen - laf was dat - op inspectie. Dát was op zichzelf ook nog geen probleem, want, gezien het betekenisvolle leeftijdsverschil in ons voordeel, konden wij onszelf wel in veiligheid brengen. Anders was het gesteld met onze 'sportzak' (niet meer dan een hoopje propere kleren die werden uitgedaan om vrijer te kunnen tackelen en/of duiken), én onze goal (meestal een hemd of een trui of een sjaal van één van de spelers). Als er geroepen werd : ' Polit es dau', dan moesten we hals over kop een aanval op het vijandige doel afbreken en maken dat we weg waren. Uiteindelijk hadden we ook daar iets op gevonden : wij huurden een niet zo briljante, weinig in voetbal geïnteresseerde makker in - vaak Gaston van de bollen - en vroegen hem zich strategisch op te stellen om ons zo sneller te kunnen verwittigen zodat onze evacuatie ook rapper kon beginnen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op een keer waren we aan het voetballen in de Molenstraat. Benoit Saerens had net van zijn peter Bauke Noeë een zilveren stuk van twintig frank gekregen. Op een bepaald moment ontstond er wat heibel en moest hij gaan lopen. Niet goed wetend wat hij met zijn muntstuk moest aanvangen, besloot hij het in zijn mond te steken. Maar ... door de hevige inspanning van het rennen slikte hij het kleinood binnen. Verstikking dreigde. Op een gegeven moment kon hij toch stamelen : 'Z' is weg'. Jammer voor Benoit niet naar buiten maar naar binnen. Dus moest ze langs en andere weg weer naar buiten. Die klus zouden zijn darmen wel klaren. Helaas geraakte het muntje niet door de maaguitgang. Dus bleef er nog één middel : een maagoperatie. Aldus geschiedde en zo kon onze vriend een maand later pronken met zijn groen uitgeslagen zilverstuk.

 

Ik was een geboren doelwachter en ik wou Rieke Meert, mijn grote voorbeeld bij Anderlecht en de nationale ploeg, zoniet overtreffen, dan toch zeker evenaren in alles : duiken, zweven, wegboksen, plukken, uittrappen, enzovoort.

Daarvoor moest ik om te beginnen aangepaste keepersdingen hebben. Marcel, zoon van bakker Fideel Vinck had alles : handschoenen, knielappen, een trui en broekje. Het had geen zin dat ik thuis vroeg om dit voor mij ook te kopen, papa zou gezegd hebben : ' Krijgen ? jau mè nen oek aun'.

Dus moest ik op zoek naar andere oplossingen. Een trui ? Dat werd een gebreide pull-over met hoge kraag waar al wat gaten in de ellebogen waren. Een broek ? Ja, dat was de meest versleten die ik had. Handschoenen ? Gewoon winterwanten tegen de kou, ons moe breide die toch in soorten. Knielappen ? Dat was het grootste probleem, doch ook hier overwon de creativiteit : twee washandjes (die had ik eerlijk van ons moe gekregen) werden vanboven opengesneden zodat ze moeiteloos over de benen tot aan de knieën konden geschoven worden waar ze dan werden opgehouden door een paar straffe rekkers. Eén van mijn mooiste kledingstukken die ik ooit gekregen heb was een bruine pull-over met vooraan een grote witte V in verwerkt, net zoals de Franse doelman Remetter altijd droeg. Ik heb wel een jaar moeten wachten vóór ik hem als keeperstrui mocht gebruiken.

 

Ik was op mijn best op training (tijdens een 'officiële' wedstrijd werd ik al eens zenuwachtig), op een zwaar modderig veld (waar je je minder pijn deed bij het neerkomen na een hoge zweefvlucht) en in een echte goal (geen sjaals of zoiets, maar pjètsen, lange stokken, als doelpalen en vanboven een koorde als dwarslat).

Al die ingrediënten waren aanwezig op de boomgaard van Remon van Carleejes (Raymond De Block) : de goal werd gevormd door twee volwassen zjefkes, een soort perelaar, waartussen een koorde hing, de ondergrond was behoorlijk zacht en het was maar om te oefenen. Bovendien moesten wij daar niet beducht zijn voor woeste boeren, wij speelden immers op eigen bodem. Uren heeft hij naar mij vrij- en strafschoppen getrapt. En ik maar duiken en zweven, tot ik niet meer kon. Hém heeft het wat baat gebracht want hij heeft, vóór hij trouwde en naar de Kongo trok, nog bij SK Lebbeke gespeeld, net als mijn andere vriend Benoit Saerens. Mijn voetballoopbaan eindigde abrupt toen ik de eerste keer mijn knie ontwrichtte.

 

Knieontwrichting

Wat was er gebeurd ? Ik was in de beek naast 't kapelleken gesukkeld. Daarbij sprong mijn knieschijf uit haar kom. Zoiets schabouwelijk had ik nog nooit in mijn leven gezien, en zeer dat dat deed, zéér, ik ging bekans va menne center ! En ik maar roepen, want uit mezelf kon ik niet meer opstaan, ik durfde zelfs nog nauwelijks bewegen. Op de langen duur heeft onze Marc mij toch horen tieren en is hij komen kijken wat er scheelde. Of heeft hij mij met opzet zo lang laten liggen, denkende dat ik, den bleiter, er weer een schep op deed ? Enfin, ze hebben me dan voorzichtig naar huis gedragen en op ons keukentafel gelegd. Ondertussen ging iemand op den hoek bij Marcel naar dokter Van Oudenhoven uit Moorsel bellen en probeerde ons moe, de schat, mijn been voorzichtig wat proper te maken met een nat washandje. Door die gevaarlijke maar o zo liefdevol uitgevoerde handeling sprong mijn knie terug in zijn oorspronkelijke stand. Ik kon ons moe zó vastpakken en bezen geven, zo gelukkig was ik dat het gevaar gekeerd was en dat ik niet meer naar de kliniek, waar ik zo een heilige schrik voor had, zou moeten. Dokter Van Oudenhove kon alleen maar de gevolgen van het wonder aanschouwen : een knie waar alles terug op zijn plaats zat maar die onwaarschijnlijke proporties had aangenomen en werkelijk bont en blauw begon te zien.

Wat was er, volgens mijnheer doktoor gebeurd ? Waaraan had ik met andere woorden de miraculeuze ingreep van ons moe te danken ? 'De enige manier om een fluxatie te behandelen is het gewricht proberen te strekken en hopen dat het in de kom terugschiet, anders moet er werkelijk op gebonkt worden' zei de wetenschapsman. Zo'n vooruitzicht op een volgende keer is mij blijven achtervolgen en warempel, in mijn eerste jaar op het college in de grote stad, ontwrichtte mijn knie terug tijdens het spelen op de koer. Onze Marc, die ook op dat college verbleef, heeft mij toen in de gang gelegd, in afwachting dat de opgeroepen dokter Miserez mij zou behandelen. En die heeft inderdaad moeten boenken om mijn knie terug in de juiste plooi te krijgen. Eén positieve keerzijde had deze gebeurtenis : ik werd omringd door een honderdtal medeleerlingen die ontzet toegekeken hadden en waarvoor ik nu een soort martelaar was geworden. Alles samen zou ik een dertigtal ontwrichtingen, aan beide knieën elk ongeveer evenveel, oplopen.

 

Wielrennen

Mijn eerste fiets was, zoals al gezegd, een fietsje, zonder remmen en met vaste pion. Altijd maar trappen. En dat heb ik begot gedaan. Om evenwel te kunnen concurreren met vrienden, Fong van Meldert en broer Marc had ik beter en groter materiaal nodig.

Ik weet eigenlijk niet goed meer hoe ik er aan geraakt ben maar op een gegeven moment was hij er. Ik was wel wat ontgoocheld want hij geleek in weinig op een echte koersfiets : alleen het ontbreken van spatborden was al oké.

Dan maar bij Staaf van Sèttes gegaan, de dorpsfietsenmaker die nauwe banden had met het wielermilieu, meer in het bijzonder met de toenmalige topploeg 'Groene Leeuw'. Ik moet allicht zodanig op hem hebben ingesproken, zeg maar gezaagd, dat hij mij, zo maar én gratis, een koersstuur cadeau gaf en daar bovenop een koersmutsje van 'Groene Leeuw' . Een godsgeschenk was dat. Ik waande mij onmiddellijk Lucien Mathijs. Maar, in tegenstelling tot Lucien, die een uitstekend wegrenner was, ging ik mij - gezien mijn constellatie - wat meer toeleggen op de piste, meer in het bijzonder op de spurtdiscipline. Ik ging verhinderen dat de stomme Italiaan Maspes het record aantal wereldtitels van onze Poeske Scherens ging overtreffen.

Hoe vaak hebben we de Hoogstraat, vanaf de Mechelse weg tot aan 't kapelleken waar de eindmeet getrokken lag, gebruikt als piste ? Er kwam soms zelfs een surplace bij kijken. En steeds kwam het op een banddikte aan, waarna, begrijpelijk, steeds een hevige discussie volgde.

Op een keer ben ik echt aan de dood ontsnapt. Wij spurtten toen in de Molenstraat, vanaf Maxens tot aan Benoit Saerens. Op het moment van de start ging ik geweldig demarreren, waardoor mijn ketting brak en ik mijn evenwicht verloor. Ik viel op mijn rechterzij en schoof tot tegen de zaal van Maxens, net voorbij de beerpomp die aan die muur hing. Ik sloeg nog efkens met mijn schouder en hoofd tegen de zaalgevel, was wat groggy, maar kon toch snel naar huis. Daar won de compassie met mijn bijna schedelbreuk het bijlange niet van het kwaad-zijn voor alweer kosten voor de kettingherstelling.

 

Andere sporten

Nog vele andere sporten hebben we beoefend.

 

Tennissen bijvoorbeeld deden we op onze hof : onze raket had een stuk steel als grip en een deksel van een vat zinkwit uit onze winkel als slagoppervlak. Een echte tennisbal hadden we nog nooit gezien, laat staan in bezit gehad, dus gebruikten we een klein caoutchouc balletje uit de winkel van Polin de smokkelès. En dan maar proberen om Washer en Brichant te evenaren.

 

Pinpongen deden we in onze schuur : de tafel was de tafel waar papa het glas op sneed, het netje was een een plank met de juiste hoogte, onze paletten werden gezaagd uit een plaat triplex en een echt, weliswaar gedeukt, balletje hadden we.

 

Koordklimmen deden we ook in de schuur waar, van op de zolder, een string (zware koorde) vertrok die soms gebruikt werd om iets op te trekken. Ook in deze sport was ik, gezien mijn constructie, wat gehandicapt en dus geen topper.

 

Kaatsen was dan wel een sport waar ik sterk in was. Ik had dat geleerd tegen onze zijgevel in de baun. Die gevel was een ideale sportmuur geworden nadat de gracht die er naast lag in gesloten bedding onder de grond was gelegd én de druivelaar die er tegen groeide, deels van ouderdom, deels van verwaarlozing, geen vruchten meer voortbracht en bijgevolg genadeloos werd verwijderd. Ik sjotte er tegen en ik probeerde er tegen op mijn handen te staan. Daar, tegen die muur, leerde ik ook opslaan en keren en scherpte ik mijn reflexen aan. Dat kwam mij allemaal goed van pas als ik later op straat, dus precies echt, met mijn vrienden kaatste en uitblonk. Dat was bij ons in 't straut, opslaan voor Zaugers en keren aan Lowiekes en of in de Melestraut aan Benoit.

Later hebben we een zeer goede jeugdploeg gevormd (Johnny Peirlinckx en Roger De Rop aan de koorde, Paul Van Cauter kleine keer, Benoit Saerens grote keer, ik achterman en Pierre Leunis reserve) waarmee we een aantal tornooien wonnen.

Ook hier had ik vaak last van faalangst en zenuwen en verloor ik veel van mijn mogelijkheden tijdens een officiële match.

Nog wat later hebben we met mijn vijf broers nog een serieus te duchten ploeg gevormd en een aantal vriendenwedstrijden gespeeld : onze Miel en Marc van voor (de minst goeie), Herman , Jaak en ik vanachter.

 

Sportmanifestaties

In mijn jeugd was er gelegenheid genoeg om één of andere sportmanifestatie bij te wonen.

 

Er waren om te beginnen de verschillende wielerwedstrijden in ons dorp : op ’t Faubourg, bij Maria Fies, op den berg (ik denk bij Potse Pit) en natuurlijk de koers op de Hoogstraat op kermisdonderdag, eind augustus of begin september. In die periode hadden wij in ons dorp een echte wielervedette Wie Bal (Lowie De Boeck). Ik zie hem nog in een purperen trui van Kuregem Sportief een rit van de Ronde van België voor liefhebbers in Opwijk winnen. En toch was ik niet bijster blij want mijn idool Rik Van Looy had het vanwege een bandbreuk niet gehaald. Toch won mijn Rik nog twee ritten in die Ronde.

 

Ik ben ook verschillende keren naar het criterium van Aalst gaan kijken, dat verreden werd na de ronde van Frankrijk. Toen werd de rode lantaarn van die ronde vaak als een held opgevoerd. Één van die rode lantaarns was de Pool Thadeus Wierucki. Van hem kreeg ik een handtekening en een schouderklopje en ik was er nog fier om ook.

 

Hét hoogtepunt was de ontmoeting met mijn idool Rik Van Looy op een criterium in Londerzeel. Op een gegeven moment, vlak voor de koers, was hij mij zo dicht genaderd - ik was er van overtuigd dat hij wist, voelde, rook dat ik zijn beste supporter was – dat ik Hem heb kunnen aanraken. Een siddering - werkelijk ! - ging door mij heen. Ik beefde, zweefde en glorieerde tegelijk. Mijn jaar, wat zeg ik, mijn jong leven kon niet meer stuk.

 

Voor officiële voetbalwedstrijden was ik aangewezen op de geel-blauwen van Sint-Paulus Opwijk of de groen-witten van Schroevers Moorsel. Ik ben een paar keer met onze Miel (die daar toen een lief had) naar Opwijk geweest waar Bouregemmeneir Sjalen van de Gentenaar (Karel Vekemans) nog in de goal gestaan had.

Maar meestal ging ik naar de Schroevers in Moorsel. Dat had verscheidene redenen. Om te beginnen moest ik dan de gevaarlijke baan van Dendermonde naar Asse niet oversteken. Ik kon zelfs dik over dinne (langs de Bevenhouten en ’t Exterken) naar het plein van de Schroevers. Bovendien speelden een paar verre familieleden (de gebroeders Paul, Frans en Mark Hendrickx, zonen van een kozijn van papa) mee.

Ik herinner mij een overwinning met 15-0 tegen Schoonaarde. Één van die doelpunten kan ik mij nog levendig voor de geest halen : doelman Albert Van de Winckel van Moorsel trapte heel ver uit, de bal botste zo ongeveer in het begin van de grote backlijn en belandde over het hoofd van de keeper van Schoonaarde in doel. Toch werd deze laatste niet met de vinger gewezen want hij was eerder klein van gestalte.

Eén van de spelers (zijn naam ken ik niet meer maar ik denk dat hij van Steenhuffel was) van de Schroevers kwam altijd met de trein naar Moorsel. Als die trein vertraging had gebeurde het wel eens dat hij zich tijdens zijn rit had omgekleed. Ik heb hem zo eens, net voor het begin van een match, zien opduiken vanachter Sylvie die in de Konijnaardeweg woonde, netjes in de groen-witte tenue gekleed, zijn schoon dingen in een valies die hij snel in de kleedkamers gooide. Één minuut later floot de arbiter voor het begin van de match.

 

Af en toe reed ik samen met meester Paul, onze Miel en onze Marc, naar Eendracht Aalst kijken. Dat was dé topploeg in de wijde omgeving. Ik heb ze, dat moet zo ongeveer midden de jaren 50 zijn geweest, de promotie naar tweede afdeling weten vieren. Ik geloof, maar ben niet héél zeker, dat dit tegen Waregem gebeurde. Wat ik wel met zekerheid nog weet is dat centervoor Karel Voogt, buitenlinks Gaston Van Der Elst en doelman Pierre Vandermeersch een groot aandeel hadden in die kampioenstitel.

Van Vandermeersch herinner ik mij volgend detail. Op een avond, het had gesneeuwd, voetbalden onze Marc en ik op onze hof. Het licht door het keukenraam zorgde er voor dat niet alles volledig op den tas gebeurde. Voor één keer was ik toen niet Rieke Meert, maar Pieje Vandermeersch die precies op dat moment met de Belgische militairen een oefeninterland aan het spelen was.

 

Ik heb ook verscheidene wedstrijden van de Rode Duivels gezien.

Ik herinner mij onder andere de wedstrijd in 1954 waarbij onze landgenoten tegen de pas wereldkampioen geworden Duitse elf. Ik was met meester Paul en onze Miel op mijn klein veloken naar het Heizelstadion gereden. Ik denk dat de Bosbeekberg in Brussegem iets te zwaar was voor mijn kleine benen, waardoor we vrij laat in het stadion aankwamen, dat tot de nok gevuld was met ongeveer 60000 toeschouwers. Ik ben tussen die massa naar beneden gekropen om toch iets te kunnen zien. Op het einde hebben een paar mensen mij opgetild en mij boven hun hoofden doorgegeven tot ik vooraan tegen de balustrade stond. Wat heb ik toen genoten van de 2-0 overwinning tegen Fritz en Otmar Walter, Rahn en co !

 

De mooiste match die ik van de nationale ploeg heb gezien, was die tegen het Hongaars wonderteam in 1956. Toegegeven, toen was de beste tijd van die ploeg met Puskas, Kocsis, Boszik en co misschien wel voorbij, maar die wedstrijd blijft voor eeuwig in mijn geheugen gegrift. Niet in het minst gezien het scoreverloop en de einduitslag 5-4. De Belgische ploeg ken ik nog van buiten : Gernaye, Dirickx, Dries, Huysmans, Van Kerkhoven, Mees, Jurion, Vandeweyer, Mermans, Houf en Orlans.

 

In 1957, op een donderdagnamiddag in oktober, zag ik ook de wedstrijd Antwerp FC tegen Real Madrid. Waarschijnlijk omdat hij een oogje op ons nicht Mia had, nam Julien Troch ons, haar neven (ik, onze Marc en Fong van tant Alice), mee naar de Bosuil. Die zat afgeladen vol, 55000 toeschouwers. Real kwam vlug 0-1 voor, maar midden een ongelooflijke sfeer stelde Stan De Backer gelijk. Toch won Real nog met 1-2. Maar Vic Mees, Bob Maertens, Louis Verbruggen, Eddy Bertels, Wim Cooreman en de anderen hadden allen hun best gedaan. Sindsdien heb ik een boontje voor Antwerp én voor Real.

 

Sporten

Spelen

Op weg naar school

Naar school gaan betekende toen ook nog spelen. Een boekentas hadden we in de eerste jaren niet nodig, wel allerlei speelgerief en in de zomer bij warm weer een kruikje met kaloetsjezap (zoethoutdrop).

 

Dat spelen begon al op weg naar school.

Soms was dat scheten leggen, een knikkerspel, soms was dat rieëpen (met de reep lopen), waarbij met een stokje een reep werd voortbewogen. Vaak was de reep een versleten fietswiel dat van zijn banden ontdaan was. Ondertussen zegden we dan het door meester Boeykens aangeleerd gedicht op : 'Reep, reep, rollende reep, houdt u op 't slaan van mijn stokje gereed, want gij moet gaan waar mijn harteken lust...'.

Soms was dat ook gewoon koerslopen naar school of, in winter, glijden op de grachten of op de rieëten (de rootput), die op onze weg lag als we langs den Bos naar 't school gingen. Of als het sneeuwde met sneeuwballen smijten en ondertussen zingen ' Jezuke skit zèn berreken oit en laut de plemkes vliegen'.

 

Spelen op de koer

Dat spelen begon al vaak met het verdelen van de groep. Daarvoor bestonden aftelrijmpjes als 'Vlimme, vlamme, koter damme, li la troef' of 'Onder de piano stond een pint; al wie er van drinkt stinkt'. Een andere methode was voetje staan : de twee leiders kwamen stappend naar mekaar toe en wie eerst zijn voet tegen die van de andere kon zetten, mocht beginnen kiezen, nadien de volgende, enzovoort. Het was niet plezant om bij die laatste over te blijven en alleszins een signaal dat je spel nog wat beter kon.

Barejaugen was een spel waarbij het de bedoeling was om de koer over te steken zonder aangetikt te worden door de twee pakkers. Wie wel aangetikt werd moest mee helpen pakken.

En dan had je alle soorten kaittens. Die spelen begonnen altijd met het roepen van 'Ik ben hem niet' waarbij men wou aangeven dat men niet de pakker wou zijn. Dat duurde zo lang tot er een kluns overbleef of tot er een held opstond die zei : 'Ik ben hem'.

Ik ken nog volgende kaittens :

 

  • Bij Kaitte jaugen was het de bedoeling dat één pakker achtereenvolgens iedereen probeerde te tikken.
  • Bij Kaitten doorsnee zei de pakker wie hij ging proberen te tikken; als er een andere speler tussen beiden in kwam gelopen dan moest hij zich richten op deze 'doorsnijder'.
  • Bij kaitten verhoeg mocht de pakker iedereen aantikken die niet hoger stond opgesteld dan hij zelf.
  • Bij kaitten hand moest degene die door de pakker aangetikt was deze een hand geven en met hun beiden probeerden ze een nieuw slachtoffer te maken, waarna het trio op zoek ging naar …, enzovoort... Als die ketting lang was, dan was de snelheid op het einde ervan vrij hoog en dan gebeurde het wel eens dat de buitenste speler dat niet kon houden en moest loslaten of dat hij ne sleip ging (serieuze val deed) .

 

Marbollen

Vaak gingen we met een broekzak opgezwollen van de aanwezige marbollen (knikkers) naar school. We wisten perfect hoeveel er in zaten want op het einde van de dag wilden we minstens ons zoud (inzet) terugwinnen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Er zijn/waren verschillende marbolspelen.

Om te beginnen scheten leggen : de eerste speler schoot zijn marbol (hij gebruikte daarvoor zijn bieken, zijn beste knikker) een aantal meters vooruit en trok een streep. Vanaf die meet mocht de volgende speler de eerste marbol proberen te raken. Lukte dat, was het zoals we zegden tèkkes, dan was hij gewonnen. Lukte dat niet dan mocht de eerste speler op zijn beurt vanaf de plaats waar hij lag de tweede proberen te raken, enzovoort. Het spel kon ook met verschillende spelers worden gespeeld.

De winst was vooraf af te spreken maar was gewoonlijk één knikker of een kalle (dikke knikker waarmee eigenlijk niet gespeeld werd) of een billeken van onze verzameling coureurs.

Soms vroeg diegene die aan beurt was : reng, waarmee hij wou zeggen : mag ik, vanwege aanwezige hindernissen, van op een andere plaats schieten ? Soms zei de speler die niet aan de beurt was : volbe kois (verboden te kuisen), waarbij hij te kennen gaf dat de andere de hinderende dingen of oneffenheden op zijn baan niet mocht wegnemen. Of volben oeëg, dan moest men van op de grond schieten. Er was geloof ik nog iets van 'volbe steek' maar daarvan ken ik de betekenis niet meer.

Bij bosken schieten legden de deelnemende spelers elk een vooraf afgesproken aantal knikkers in een 'bosken' of cirkel. Alle spelers deden vanaf een meet een poging om een marbol uit het bosken te schieten. Als iemand daar in lukte, mocht hij verder doen. Indien niemand er in geslaagd was bij de eerste poging een marbol uit het bosken te schieten, dan mocht diegene die het dichtst bij het bosje lag eerst beginnen. Daar kwam soms wat precisiemeetwerk aan te pas : de gebruikte lengte-eenheid was de greip (greep, een afstand tussen duim en middenvinger). Eén zaak mocht niet : de marbol waarmee geschoten werd mocht zelf niet in de cirkel blijven liggen. Dan was je kaad, was je spel voorbij en moest je alle reeds gewonnen marbols terug in het bosje leggen. Vooraf werd ook duidelijk afgesproken of de meet kaad was of niet.

 

Een minder gespeeld knikkerspel was putteken schieten, waarbij geprobeerd werd de marbol in een door onze hiel gemaakt putteken te schieten.

Er was ook nog een spel dat slangeratoeitsjen heette (ik denk dat ze daar ook reingske schieten tegen zegden). Wij maakten in de grond een smal kronkelend beekje waarin een knikker zo ongeveer paste. De bedoeling was om de knikker van in het begin tot het einde van de slang in zou weinig mogelijk beurten te bereiken. De marbol mocht de slang evenwel niet verlaten, anders moest je terug naar af.

 

De goeie 'knippers' hielden de marbol strak geklemd tussen het geplooide bovenste kootje van de duim, dat onder de middenvinger werd gespannen, en de top van de wijsvinger. Op die manier kon je krachtiger 'knippen' dan diegenen die hun topje van de wijsvinger niet gebruikten : dat waren de stoempers (duwers), zij moesten als het ware hun knikker vooruit duwen.

 

Doppen

Doppen (met de tol spelen) was een elk jaar en gedurende een bepaalde tijd weerkerend spel. Er waren twee soorten tollen : de ene een kegelvormige die moest opgewonden worden met een koorde, de andere - de kletsjdop of djekdop - had de vorm van een paddestoel en moest voortbewogen worden met een zweep.

Met de eerste soort kon je ofwel bovenarms kappen ofwel onderarms trekken. De sukkelaars gebruikten de laatste methode, de besten de eerste, krachtiger, werkwijze.

 

Allerlei dieren pakken

Of je missen pakken (mussen vangen) nú nog bij de spelen zou kunnen catalogeren, vrees ik een beetje vanwege Gaia en konsoorten. Maar wij waren wat dat betreft dus nog een beetje barbaarser opgevoed en vonden daar weinig graten in. Mussen kon je op verschillende manieren proberen te pakken. De belangrijkste methoden waren : vangen met een mussenijzer (een soort klem) of met pjètsen (een lange bonestaak waar vanboven lijm werd aangedaan). Bij deze laatste manier gingen we met een neiplicht (zaklamp) 's avonds op stap onder de algemene en kundige leiding van lange Sjalen (Karel De Maeseneir). De meeste van die mussen pakten we aldus wijl ze onder de oversteek van een dak vredig zaten te slapen.

Voor die eerste mussenjachtmethode was onze grootste vijand Mijnheerke Pieters, een wat volksvreemde maar zeer beschaafde man, die de dierenbescherming vertegenwoordigde en steeds met een tangsken op zak liep om de ijzers stuk te knippen.

 

De lente was onder andere synoniem voor moillers pakken (meikevers vangen). Die hadden een natuurlijke habitat in de hof van meters. Al in april gingen we regelmatig bij nonkel Zjeen en nonkel Alfons informeren of ze nog geen hadden gevonden bij het spitten. Indien wel kon onze week niet meer kapot want met zo iets word je in de school onmiddellijk dé man van het trassen (afvragen), meestal om te mangelen (ruilen). De topperiode was natuurlijk de meimaand. Dan gingen we de hagen af om meikevers te schirren (schudden). Nog gemakkelijker was je gewoon tussen de lila opstellen en een net omhoog houden : de popkes , de bakkerkes en de koninkskes vlogen er zo in. Een paar werden de volgende dag in een stekkendoosje met wat groene blaadjes gestoken om mee te nemen naar school. Daar konden ze altijd in één of andere ruiloperatie worden betrokken. Plezant was ook om ze op je hand te zetten en te zien hoe ze begonnen af te tellen voor ze opvlogen.

Verder in de zomer werden de dahlia's van de nonkels gebruikt om biekes te pakken (bijen vangen). Dat was een stiel apart die men echt moest leren. Ik heb nooit een betere ambachtsman bezig gezien dan Gaston van de Bollen. De kunst bestond er in om op het gepaste moment je zakdoek over de aanwezige biekes te gooien en dan dicht te krijgen zonder ze evenwel te doden (wij moesten ze kunnen horen zoemen in de zakdoek) én zonder gestoken te worden (wie iets in de richting van pijngevoel verraadde, was al op voorhand verloren). Voorwaar, dit was een keiharde stiel.

 

Spelen rond ons huis

Het meest beoefende spel tijdens de vakantie was ongetwijfeld loeke stoppen (verstoppertje spelen). Er werd door middel van een aftelrijmpje iemand aangeduid die de anderen moest 'pakken' of zoeken. Die moest bij ons tegen de plaat van ons hofgat, maar langs de kant van de baan, gaan staan, zijn voorarm vóór zijn ogen. Die plaats noemden we : zijn hol. Dan zei hij : 'Ik tel tot 100'. Het getal was afhankelijk van het aantal deelnemers : hoe meer, hoe groter. Nadat hij het aangekondigde getal had bereikt zei hij nog : 'Al wie geloerd is moet staan'.

De bedoeling was dat wie hem was, de 'pakker', de anderen probeerde op te merken. Hij moest dan iets roepen in de aard van : 'Eric, gezien achter de grien tonne'. Dan moest hij snel naar zijn kot en daar roepen : 'Eric, 1, 2, 3, pjeireken'. Op die manier was Eric buiten strijd. Dat was soms maar voorlopig, want hij kon bevrijd worden door een collega-wegsteker. Die moest daartoe, wijl de pakker zich te ver van zijn kot waagde om anderen op te sporen, de gevangene in het kot aantikken. Het spel herbegon met dezelfde pakker en iedereen mocht zich terug wegsteken.

 

Bij foefke schieten plaatsten we op een stopsel een muntstuk ( 5 of 10 centiemen) en moesten we met een ander muntstukje (meestal een donkergrijs kwartje) het geheel van op zekere afstand proberen omver te schieten.

 

En dan had je de 'gevaarlijke' meer naar oorlog en vechten neigende spelen.

Een flokkebis was een soort schiettoestel. Hiervoor gebruikten we een stuk vlierhout van zo'n vijf centimeter doormeter en zo'n twintig centimeter lang. Daar werd het middelste deel (dat was week) uit geduwd. Nadien werd er een lange kepernagel in een stuk hout geklopt. Het wapen was klaar. De munitie was papier waar een tijdje op gebeten werd en tot een prop werd omgevormd. Die werd in het uitgehaalde deel van de flokkebis geperst. Het was dan de bedoeling om met de kop van de kepernagel die prop er in een krachtige beweging (we hielden dat tegen onze buik) uit te duwen. Als men daarbij nog een mooi ploffend geluid kon produceren was het schot helemaal geslaagd.

Veel kon je met zo'n flokkebis niet neerknallen. Dan was een mik een veel krachtiger wapen. We zochten in het bos een mooie drietak, zo in de vorm van een hoofdletter Y. Daar werd aan de bovenste uiteinden een rekker of een stuk van een versleten binnenband gespannen. Het onderste deel diende als handvat. In dit geval bestond de munitie uit gevaarlijker speelgoed : een steentje of een keitje of een slechte marbol. Daar durfden we al eens mee op de mussen jagen.

 

Om in de oorlogssfeer te blijven : bommetjes maakten we ook al. Daarvoor gebruikten we een afgedankte sleutel waarvan een stukje van de kop werd verwijderd zodat er een opening ontstond. Daarin werd wat solfer gedaan (van stekjes of pistongskes). Opnieuw was een lange nagel die nu aan een koorde hing onontbeerlijk : we staken de kop ervan in de opening van de sleutel en zwierden dan met de koorde de nagel tegen de muur. Dat was dan het bommeneffect want er volgde zowaar een ontploffinkje.

Die oorlogssfeer zat er ook in als we in den Bos een kamp gingen maken. Dan maakten twee groepen elk hun eigen kamp, een soort roversnest, van takken en veel gebladerte om ons goed te kunnen verstoppen. Je kon alleen maar door de andere groep gevangen worden en meegevoerd worden naar hún kamp als je je buiten je eigen kamp waagde en aangetikt werd door het zwaard van de vijand.

 

Bij Carleejes

Bij Carleejes dat was bij Margriet, haar echtgenoot Frans (De Block), haar zus Louisken, haar broer Octaaf en haar kinderen – mijn goede vrienden - Herman en Raymond en soms ook nog haar broer Pater Raymond die net als papa kunstschilder was.

 

Ik heb vele uren bij Carleejes doorgebracht. Dat had met een aantal feiten te maken.

Met allen kon je gezellig praten, of een kaartje slaan en nonkel Octaaf leende me soms zijn tabak om een sigaretje te rollen, een activiteit waar ik al zeer jong mee vertrouwd was.

 

Louisken had een specerijenwinkel en was net als Margriet uitermate religieus geïnspireerd. Ik was thuis wat dat betreft het één en het ander gewoon, maar hier werden toch alle records gebroken. Zo baden ze elke avond rond halfzeven de rozenkrans, gevolgd door de Litanie van alle Heiligen. Margriet : 'Heilige Maria' en de anderen : 'bid voor ons', en zo verder een onuitputtelijke reeks van heiligen waarvan ik voor een groot deel voorheen het bestaan niet kende. 'Machtige Maagd', 'Bid voor ons', 'Reine Maagd', 'Bid voor ons', 'Goedertieren Maagd', 'Bid voor ons'. Dit devoot moment had iets charmant en rustgevend. Het gebeurde evenwel ook dat, toen ik langs achter hun huis naderde en ik Margriet de rozenkrans hoorde beginnen, mijn religieuze drang om mee te bidden niet zo groot was en ik mijn keir (kar) keerde en alleen wat ging sjotten op de boomgaard.

 

Met Raymond deelde ik onder andere mijn sportinteresse. We voetbalden vaak op hun boomgaard, of turnden naast hun hooimijt (handen- en kopstand en koprol trainden we toen). Of we speelden in de stromijt. Die stond links als je door de poort naar hun binnenkoer ging. In en op hun stromijt hebben Raymond en ik uren doorgebracht. We kropen op de mijt, maakten dan wat gangen door stro weg te halen en baanden ons een aantal wegen tot helemaal beneden. Dat waren onze schuilplaatsen. Pas jaren later besefte ik waarom ze niet graag hadden dat we daarin speelden. Stel je voor dat daar een soort instorting plaats vond, verstikkingsgevaar was toch reëel aanwezig.

Met Herman mijn interesse voor film en opera. Vaak ging ik met hem in discussie. Hij was bijvoorbeeld een hevige aanhanger van Renata Tebaldi, ik had het meer voor Maria Callas.

 

Frans werkte in de brouwerij De Geest in Aalst en nonkel Octaaf was een boer. Neen, geen herenboer, verre van, eerder een kleine keuterboer. Op de drukke momenten ging ik vaak een handje toesteken.

Zo bijvoorbeeld om balen stro boven de koeienstal te steken. Op een keer stond ik boven klaar om de balen aan te nemen. Ik had er al een paar opgehaald toen ik plots op de begane grond, vlak naast hun koe Bella, lag. Ik was gewoon, zonder dat de laffe zolderplanken mij op één of andere krakende manier hadden gewaarschuwd, door de vloer gezakt. Ik heb toen héél veel geluk gehad want ik kwam op een paar centimeter van een aantal werktoestellen, waaronder een zeis, terecht. Ik was groggy, stond op en werkte een paar minuten later voort. ‘s Avonds had ik wel stevige hoofd- en rugpijn, maar het nezeken van ons moe onder de vorm van een tube Algipan bracht wat verzachting.

 

Aan een zware handicap of nog erger, de dood, ben ik echt ontsnapt bij een tweede ongeluk bij Carleejes. Het was een zaterdagnamiddag begin september, tijd voor de aardappeloogst. Ik stond boven op de patattenzakken die de kar al half hadden gevuld en was met met mijn rug naar de tractor gericht. Plots remde de tractor en doordat ik nergens steun kon vinden, viel ik achterwaarts met mijn hoofd naar beneden. Ik moet mij in een reflex hebben gedraaid en dat was mijn redding : ik viel niet op mijn hoofd op den deisel maar met mijn scheenbeen. Als ik daar nu, vijftig jaar later aan denk vergèzel ik nog. Dat scheenbeen voelde ik in de eerste minuten niet, later des te meer, en zag er belange niet proper uit. Verwonderlijk weinig bloed eigenlijk maar zo’n verpletterde indruk. Frans en Herman hebben mij dan opgeraapt en op een paar zakken gelegd. Wat nu ? Ik probeerde nog van (gezien mijn allergie voor klinieken) : alstublieft niet naar de kliniek, voer mij naar huis, ons moe zal me wel verzorgen. Dat hielp niet. Het zag er te slecht uit. En dus haalde Herman zijn scooter en voerde mij daarop naar de kliniek van Mijlbeke. Daar waren de dokters niet te spreken over het gebruikte vervoermiddel maar een paar ogenblikken later lag ik op de operatietafel. Tegen beter weten in hoopte ik onmiddellijk naar huis te mogen gaan. Daar was natuurlijk geen sprake van. En dus moest, zo vreesde ik, het ergste nog komen. Dat was het feit dat ik met meerdere zieken op één kamer moest liggen en dat één ervan zeker die nacht zou sterven. En ik was van veel bang, maar zeker van de dood en van dode mensen. Wou het toeval nu niet dat één van de zieken over een bijzonder zware hoest beschikte en dus zou die man weldra gaan stikken. De verschrikkelijke pijn in mijn been zal me zeker ook parten gespeeld hebben maar ik wilde de ganse nacht slaaploos en klaarwakker blijven om de zuster te verwittigen als die hoester het ging begeven. Dat gebeurde niet en ’s morgens was ons Lizette daar – mijn lieve zus – om mij te troosten en bij te staan. Haar heb ik kunnen overtuigen om de dokters te informeren wanneer ik naar huis kon, weg van die stervende longlijder.

’s Maandags is Loewie Brocco mij met zijn taxi komen halen. (Lowie was de enige taximan in ons dorp. Ooit was hij kandidaat bij de gemeenteraadsverkiezingen in ons dorp en ondanks het feit dat hij getrouwd was, haalde hij maar één voorkeursstem. Over dit feit doen twee versies de ronde : in de eerste zou Lowie uit pure dweizigheid niet voor zichzelf gestemd hebben; in de tweede zou hij zijn vrouw ’s avonds eens goed verweten hebben).

De gevolgen van mijn tuimelpartij waren desastreus : drie maanden was ik verstoken van sport en spel. Er was evenwel ook een lichtjes positieve keerzijde : ik moest ook drie maanden niet naar dat saaie college in de stad.

 

Bij Poldissens

Mijn beste vriend was Urbain, de zoon van Frans en Cécile van Poldissens (Frans De Ridder en Cécile Macharis) en woonde in de Dorpsstraat, in de laatste draai vóór je aan Maxens kwam. Frans was een vriend van papa (ze waren bijvoorbeeld allebei in het bestuur van 'De Bond van grote en jonge gezinnen') en Cécile van ons moe (zij gingen véél later samen nog naar zee).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij Poldissens was het altijd zeer gezellig vertoeven, om verschillende redenen. Je was er altijd welkom; als Frans en Cécile zélf tijd hadden, maakten ze ook tijd voor jou, zelfs om soms eens mee te spelen met één of ander spel; er waren nog kinderen in huis (Lucien, Alfons en Marie-Jeanne); het was er zalig vertoeven in hun grote plaats : verfrissend koel bij warm zomerweer en behaaglijk warm als het winterde; en vooral misschien, Urbain en ik hadden heel wat gemeenschappelijke interessepunten : sport, spelletjes, wiskundige problemen oplossen en bespreken, later wipschieten en bakschieten op staminé ... Alleen wat actieve sportbeoefening betrof zaten we niet op dezelfde golflengte, hij volgde het liever allemaal wat passiever.

Hij was ook meer technisch aangelegd dan ik en prutste al vrij jong aan hun radio en zo. Al vlug had hij zich een eigen levensstijl eigen gemaakt : toen ik in de vakantie rond een uur of één bij hem kwam om daar de Tour te volgen op de radio (zij konden Radio Europe pakken), kwam hij juist uit zijn bed en wijl hij zijn klaargemaakt bord opat kamde zijn moeder zijn haar. Dat anders leven - overdag slapen en 's nachts studeren - is blijven duren maar heeft hem evenwel geen windeieren gelegd : hij is burgerlijk ingenieur geworden en professor aan de Hogeschool van Aalst en Gent.

 

Toen ik vanwege mijn huwelijk naar Opwijk was verhuisd, was Poldissens het enige huis in Baardegem - behalve die van de familie natuurlijk - dat ik nog regelmatig bezocht, ook omdat Urbain er vlak naast gebouwd had en Marie-Jeanne in het ouderlijk huis was blijven wonen. Zijn gewoonte om laat (of vroeg) te gaan slapen is nog niet verdwenen, want onlangs zei hij mij : 'Ik kom met mijn vrouw voor een paar zaken niet overeen, onder andere : zij wil opstaan als ik wil ga slapen'.

 

Wat hebben we daar in die kamer bij Poldissens niet allemaal gedaan ?

Zeker veel naar de Tour op de radio geluisterd. Dat begon al, zoals gezegd, op een Franstalige post, Radio Europe, onmiddellijk na één uur, veel vroeger dan op het NIR. 'Ici Félix Lévitan, à vous le Tour', eindigde hij elke tussenkomst. Soms was dat een gekraak op de radio maar dat had meer met de uitzending dan met de kwaliteit van hun toestel te maken want Urbain kon daar aan werken.

We hebben ook veel spelletjes gespeeld en, misschien niet zo evident, reken- en andere wiskundige problemen opgelost en besproken. Soms waren we met zo'n opdracht maanden bezig (onder andere dat van de weging der ballen). Urbain was daar echt een crack in, toch wat beter dan ik. En doordat hij na het zesde studiejaar onmiddellijk naar het Atheneum in Aalst is gegaan - ik heb eerst nog het zevende studiejaar in Baardegem gedaan - zat hij in het secundair onderwijs altijd een jaar vóór mij. Dat heeft voor mij zo zijn voordelen gehad want toen ik bijvoorbeeld niet weg was met de eerste principes van de 'Beschrijvende Meetkunde' heeft hij mij dat met zijn eigen specifieke plastische methode uitgelegd en was ik er mee weg.

 

Bij slecht weer

Als het regende gingen we altijd naar de kelderkamer van 't leeg huis om te lezen, maar ook om allerlei woordspelletjes te doen.

 

Voeitsgaun (voort doen) was een spel dat er bestond een woord te vormen dat begon met de eindletter van het voorgaande en natuurlijk in dezelfde categorie : geit, tijger, reebok, ... Wie niet voort kon, viel af. Ik verdacht er onze Marc soms van om begrippen ter plekke uit te vinden (een Argentijnse vogel of een plant in Madagascar), maar hij was zo overtuigend dat ik hem altijd geloofde. Als Fong van tante Alice iets zei dat niet kosjer was, verraadde hij zichzelf door te beginnen gremelen.

 

Een gelijkaardig spel was het volgende (het had bij mijn weten geen naam) : we schreven een zevental rubrieken op (wielrenner, voetballer, dier, ...) en elk om beurt mocht een beginletter zeggen. Het kwam er dan op aan eerst klaar te zijn.

Ook hier werd bijwijlen gefoefeld dat het niet mooi was en eindigde het spel vaak met het weggooien van potlood en papier.

 

Als de vlaag over was en de beken en grachten gezwollen waren van het regenwater gingen we buiten boeite veiren (bootje varen). Wij gebruikten daarvoor schoenblinkdoosjes, elke deelnemer liefst met een ander merk (Ca-va-seul, Nugget, ...) en lieten die tegelijk los in de gracht aan het hofgat van meters. De eindmeet lag een 30-tal meter verder en er moesten soms een aantal meters gevaren worden in een buis, onttrokken aan onze ogen. Dat was dan een extra spannend moment : wie komt er eerst vanonder ? Wie is blijven hangen ? Je mocht, zo schreef het reglement voor, de natuur een handje helpen door met een stok je vastgeraakt blikje los te maken als het echt vast zat. Soms maakten we ook een 'dam' : we hoopten de bedding genoeg op opdat het water niet meer kon verder stromen. Op het moment dat onze bootjes aankwamen sloegen we een bres in onze dam zodat ze met een grote snelheid verder werden gestuwd.

 

Als we wisten dat er wat wind ging zijn, niet té veel, dan maakten we wel eens een vlieger. Dat was een windwaaier in de vorm van een vierhoek, een bijna-ruit. De diagonalen van de vlieger, het kruis, waren twee lichte takjes die werden samengebonden en waarin aan de uiteinden een gleufje gekerfd werd. Daarin paste de omtrekdraad. Dan werd het papier rond die draad gelijmd en soms gebruikten we daar - bij gebrek aan valabel alternatief - het sap van een pruimenboom voor, koekoek noemden we dat. Dan werd er een stjeit (staart : een koorde met papieren strikjes) aan bevestigd, een delicate opdracht die wat jaren ervaring vroeg want hij kon te licht maar ook te zwaar zijn. Op het snijpunt van de diagonalen werd een zo lang mogelijke draad, die opgewonden was op een spoel, gebonden. En dan kon men ergens op een open ruimte gaan proberen. Men moest wel best met twee zijn : één die de vlieger vasthield en op bevel van de andere hem omhoog gooiend losliet. Dan was het de taak van de tweede om die vlieger al lopend verder omhoog te krijgen en/of te houden. Dat was niet altijd even gemakkelijk maar áls het lukte gaf dat wel een bijzonder prettig gevoel. En dan konden er ook boodschappen naar de vlieger gestuurd worden. Dat waren stukjes papier waar we een scheurtje in deden en rond de koorde draaiden. Met wat geluk ging dat briefje tot boven aan de vlieger.

 

Met de koereurs spelen

Als ik werkelijk niemand had om mee te spelen, dan had ik nog altijd mijn koereurkes, de billekes van de wielrenners. Ik selecteerde dan mijn 'beste' zestien renners. Ik koos dan telkens twee renners die in een achtste finale tegen elkaar streden, de winnaars reden dan de kwart finale, enzovoort tot een winnaar overbleef.

 

Fotoalbum prentjes wielrenners en zelfgemaakte schriftjes

 

Hoe reden die billekes dan wel tegen mekaar ? Wel, daarvoor gebruikte ik mijn twee beste biekes-marbols. Elke knikker vertegenwoordigde een renner. Gelegen op de grond schoot ik vanaf ons keukenbuitendeur naar de deur van de kamer. De knikker-renner die het dichtst bij een vooraf vastgesteld punt lag, was de winnaar. Eenvoudig en eerlijk. En toch was ik achteraf altijd een beetje verbaasd maar ook blij dat mijn favoriet (eerst was dat Raymond Impanis, later Rik Van Looy) het bijna steeds haalde.

 

Soms speelde ik de knikkers gewoon vanuit ons keuken, door ons mozegat (muizegat), naar buiten. Ik moest natuurlijk eerst de 'stop' wegnemen die voor dat gat stak en dat normaal enkel werd weggenomen als ons moe geschuurd had om het water naar buiten te duwen.

 

Onze Marc als reporter

In de week gingen wij, onze Marc en ik (de anderen waren al veel ouder), zeer vroeg slapen.

Eigenlijk zeer vroeg naar ons bed want slapen deden we niet altijd direct. Neen, dan was er het gloriemoment van onze Marc en het genietmoment voor mij.

Onze Marc had, hij heeft dat later overvloedig bewezen, een ongelooflijke verbeelding. Hij kon bovendien ook boeiend, verrassend, spannend en vlot vertellen.

 

Ik vond hem op zijn best als radioreporter. Hij ontwierp dan zelf een Ronde van Oost-Vlaanderen en elke dag beschreef hij een rit, Lede - Wetteren bijvoorbeeld. Hij schiep ook zelf ploegen en renners. Één van zijn toprenners was Arthur De Cabouter. Waar hij al die namen bleef vandaan halen is mij altijd een wonder gebleven, tot hij later onthulde dat hij ze voor een groot deel uit de krant en de deelnemerslijst van de beginnelingen haalde. Het toeval wil dat jaren later een zekere Arthur De Cabouter een toprenner werd.

Hij had mij met die reportages volledig in zijn macht. Als ik overdag eens dweis was tegen hem of niet wou toegeven over iets, zei hij snel : ' Ah, vanauvet gieën reportaasj'. En dat wou ik absoluut vermijden. Dus ...

Hij tastte ook mijn gevoeligheden af en op het moment dat één van zijn renners mijn favoriet was geworden, liet hij hem een paar dagen later gegarandeerd een paar minuten verliezen door een valpartij. Bovendien wist hij die avond nog niet wat de gevolgen van die kwalijke tuimeling waren en moest ik tot de volgende dag wachten om te weten wat er met mijn idool gebeurd was.

Het was allemaal zo levensecht verteld (precies gelijk als Maurice Dieudonné) dat ik op de rand af geloofde dat die ritten echt verreden werden en dat ik die koers op een dag eens in Baardegem zou zien passeren.