Schooltijd

Eric De Bie - Jeugdherinneringen

Schooltijd

 

De wegen naar de school

Mijn kleuterschool was in de Kerkstraat, mijn lagere school in de Dorpsstraat.

Mijn eerste jaar voerde mijn zus Lizette mij mee, vaak tegen heug en meug ('ik gon ni gèren not school' was een door mij tientallen keren vruchteloos gebruikte aanklacht); later ontfermde onze Marc zich over mij en nadien, in de lagere school, stond ik er alleen voor.

 

Bij goed weer gingen ik 'langs den Achtersten bos' naar school. Dat was de weg die liep door de baun, langs den Achtersten bos, Carleejes bosken, de rieëten en het klein bosken, een wegje tussen twee weiden, en Schippers baan. Zo bereikten we de Dorpsstraat. Langs de huizen van Leo de patattenboer, Fortunas, café Sint-Margriet waar toen Fonske Putteman en zijn vrouw tevens een groentewinkel uitbaatten, Pollyn, en den Boorder bereikten we de Kerkstraat. Die straat sloeg ik altijd zéér snel in want aan de overkant van den Boorder woonde een regelrechte, levensechte heks : Verrieëkes Rozine. Zij stond altijd met loerende ogen en een wet op haar kaak, in haar deurgat te wachten om kindjes binnen te lokken en in haar moeëlle te steken. Zo althans had één van mijn kameraadjes mij verteld. En ondanks het feit dat ons moe dit allemaal stellig ontkende en zei dat Rozine een braaf mens was, was ik er toch niet gerust in.

Bij slecht weer Waren er twee mogelijkheden. Ofwel ging ik langs de Hoogstraat en de Mechelse weg, een karailbaun, en dan sloten de jongens van de hoge Hoogstraat (Roger Van Den Abbeele, Frans De Clerck, Jean-Marie September, Jozef Peirlinkx) en de Eerdegem (Willy Crombé en Alfons Crabbe) aan.

Ofwel ging ik langs het Langewegsken en het dorp en dan vervoegden de mannen van d' Elderberg en den Berg mij (Karel De Maeseneir, Laurent Fieremans, Jefken De Ghent, Jozef Vinck). In het naar huis gaan liepen we dan, samen met al de ietwat ouderen en jongeren, dikwijls koers : die van de 'Hoogstraat' tegen die van de 'Statie' of die van de 'Hoogstraat' tegen die van den 'Berg'. Die strijd werd altijd op het scherp van de snee gestreden en soms ontaardde hij in een heuse veldslag, met bloed en al bovenop.

 

Heel af en toe was er iets speciaal of dramatisch te beleven als we naar school gingen.

Zo kwamen op geregelde tijdstippen Bohemers hun kamp opslaan in de Kerkhofbaan. Als ik dat wist ging ik nooit langs het Dorp maar langs de Mechelse weg naar 't school. Ik had de grootste bewondering voor mijn klasgenoot Robert Heyvaert die vanachter in de Kerkhofbaan woonde en zonder verpinken het Bohemerkamp passeerde en trotseerde.

Ook iets angstaanjagend was als er bij de boeren de muilplaag (mond-en klauwzeer) heerste. Dat wisten we omdat ze verplicht waren van een wit kruis op hun poort te schilderen.

Soms kwamen we mijnheer Pastoor tegen, voorafgegaan door een bellende misdienaar, op weg naar een stervende om hem de hoogtij (sacrament der zieken, komt ongetwijfeld van hoog tijd) te brengen. Dan moesten we knielen tot ze voorbij waren.

Het ergste wat ik in mijn jeugd heb meegemaakt is het ongeluk met mijn vriendje en buur Pierre De Bolle. Wij waren, samen met zijn broer Raymond, op weg naar school. Wij kwamen juist uit het Schippersbaantje gelopen en waren aan het winkeltje van Fortuna's toen hij zijn grootvader Pots aan de overkant van de straat zag. Hij liep er naartoe ... hij hoorde onze waarschuwingen niet ... hij had gezien dat zijn peter zwaaide, niet om hem te wenken maar om hem te waarschuwen niet over te steken ... een grote met bomen geladen vrachtwagen van de firma Sarens uit Steenhuffel greep hem ... hij viel onder de wielen ... en was dood ... Hij werd opgeraapt en op de stoep van de winkel gelegd. Ik vluchtte naar huis en vond slechts uren nadien rust in de armen van ons moe. Drie dagen na zijn begrafenis beviel zijn moeder Yvonne van een jongen en ze noemde hem ... Pierre.

 

Bij de nonnekes

Mijn kleuterschool doorliep ik natuurlijk bij de nonnekes (de zusters) in de Kerkstraat. Achtereenvolgens zuster Alfreda - de lieve -, zuster Margriet-Marie - de strenge - en zuster Alberta - de wijze - leerden ons de kunsten van bidden, zingen, opzeggen, tekenen, prikken, knippen, plakken en nog zoveel meer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zuster Alfreda en pastoor Pieters

 

Het is een beetje raar, maar eigenlijk herinner ik mij het best Zuster Alfreda. Zij was er bijna in geslaagd om het gebruik van haar prachtige Franse rrrrr ook aan mij over te dragen. Ik oefende thuis als bezeten, maar ik faalde jammerlijk. Jaren later, toen ik met Herman mee de mis ging dienen die hij in zijn vakantie in het klooster ging opdragen, kon ze mij nog eens goed vastpakken en zeggen dat ik toch zo een braaf kind was.

 

Volgens onlangs opgedoken aanwezigheidsregister was de school in het schooljaar dat ik bij zuster Alfreda zat (1946-1947) 420 halve dagen geopend en miste ik er daarvan twee (op 30 juni).

Bij zuster Alfreda, in de eerste kleuterklas, zaten we met volgende 37 (!) studenten :

De jongens :

Beeckman Freddy, Crabbe Alfons, Crombé Willy, De Bie Eric, De Clerck Frans, De Ghent Jozef, De Nil Louis, De Pauw Willy, De Ridder Urbain, Dubois Freddy, Guldolf Freddy, Heyvaert Robert, Peirlinckx Jozef, Saerens Benoit, September Jean-Marie, Van den Abbeele Roger, Van Ransbeeck Karel, Vinck Jozef

De meisjes :

Baeyens Marie-Louise, Bosman Godelieve, Cardon José, Clauwaert Anny, Clauwaert Magda, De Coninck Arleta, De Block Rose-Marie, Fieremans Marie-José, De Brandt Suzanne, Eechout Zénobie, Heyvaert Marie-José, Jacobs Anny, Uyttersprot Godelieve, Roggeman Leona, Stijlemans Lea, Van Damme M.-Louise, Van Damme M.-Madeleine, Van den Bossche Anny, Van Neyghem M.-Thérèse

 

Wat ik mij van mijn kleuterschoolperiode ook nog herinner is dat papa mij steeds wat plagend vroeg : ‘Hoe est me Freddy è joeng ?’ En dan antwoordde ik steevast : ‘Welke Freddy ?’. Dat kwam omdat er drie Freddy’s in mijn klas zaten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De jongens van mijn klas bij zuster Margriet-Marie in de 2e kleuterklas

Boven van l. naar r. : Freddy Dubois, Freddy Guldolf, Jozef Vinck, ik, Urbain De Ridder, Willy Crombé, Robert Heyvaert, Karel Van Ransbeeck, zuster Margriet-Marie

Onder van l. naar r. : Freddy Beeckman, Jozef De Ghent , Jean-Marie September, Frans De Clerck, Willy De Pauw, Jef Peirlinkx, Benoit Saerens en Alfons Crabbe.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De meisjes van mijn leeftijd een één jaar jonger bij juffrouw Maria De Meersman (iffraa kok)

Boven van l. naar r. : Carmen De Ridder, Annie Clauwaert, Suzanne De Brandt, Jeanine Moens, Marie-Louise Roggeman, Magda Clauwaert, Arlette De Coninck, Marie-Louise Van Damme

Midden van l. naar r. : Marie-José Heyvaert, Leona Roggeman, Godelieve Uyttersprot, Marie-Madeleine Van Damme, Annie Jacobs, Lea Stijlemans, Erna Verhaegen, Rose-Marie De Block

Onder van l. naar r. : Odette De Boeck, Mariette Heyvaert, Magda De Gols, Marie-Louise Baeyens, Mariette Van Lembergen, Liliane Roggeman, Marie-Thérèse Brunclair, Marie-Thérèse Van Neyghem, Greta Putteman

 

Madame Aline

Mijn kennismaking met de lagere school in het schooljaar 1949-1950 verliep langs Madam Aline Baeyens. Zij was klein, energiek had een onbestemde leeftijd en was de onderwijzeres van het eerste en tweede studiejaar. Eigenlijk herinner ik me van haar alleen haar regeltje waarmee ze wel eens door de klas durfde rond te waren op zoek naar luie belhamels. Als ze die gevonden had, werden ze meegetroond naar de trede vooraan waar ze de rest van de voor- of namiddag op de knieën mochten doorbrengen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij Madame Aline zaten we in het schooljaar 1950-1951 in het tweede studiejaar (de grote kant) samen met de kinderen van het eerste studiejaar (de kleine kant). Dat waren samen de volgende 30 jongens :

Eerste studiejaar

De Bolle Raymond, De Gols Paul, De Plecker Etienne, De Rop Roger, De Rijbel Valérie, De Waegeneer Alfons, Jansegers Jozef, Kiekens Jozef, Peirlinckx Johnny, Pots Petrus, Van Cauter Paul, Van Damme Gustaaf, Van de Meerssche Petrus

Tweede studiejaar

Crabbe Alfons, Crombé Willy, De Bie Eric, De Clerck Frans, De Clerck Jozef, De Ghendt Jozef, De Pauw Willy, De Ridder Urbain, Dubois Freddy, Guldolf Freddy, Heyvaert Robert, Peirlinckx Jozef, Saerens Benoit,September Jean-Marie, Van de Meerssche Frans, Van den Abbeele Roger, Van Ransbeeck Karel, Vinck Jozef

 

Bij Madame Aline schreven we in het begin nog op een lei met de griffel. Daar hoorde een sponsje bij dat gebruikt werd om de volle lei te reinigen zodat met 'een propere lei' kon herbegonnen worden. Dat schrijven met de griffel kon bij de onhandigen zo'n krassend geluid maken dat ik er koude rillingen van op mijn rug voelde.

Pas in het tweede leerjaar werd er geëxperimenteerd met potlood en papier. Wij waren zo gewend van hard te drukken met onze griffel dat er dagelijks toch wel twintig keer werd gevraagd : 'Juffrouw, mag ik mijn potlood komen scherpen ?'

Elke vrijdag kwam Mijnheer Pastoor Pieters een religieus geïnspireerd bezoekje brengen. Hij stelde dan wat vraagjes nr 1 van de catechismus ( 'Waar is God ? God is overal, in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen'), maar was vooral op zoek naar gezichten die hij de zondag voordien had gemist in één van zijn zondagse missen. Steevast had hij - ook later in de biechtstoel zag ik dat - een zakdoek voor zijn mond. Ik dacht dat hij het deed om gedempt te kunnen spreken omdat dat voor een pastoor zo moést. Later sprak Herwig Blindeman eens over nonkel microbe (hij zei nonkel omdat zijn tante Angèle er meid was). En toen wist ik het : hij was constant bang om besmet te worden.

 

Het was ook tijdens de regeerperiode van Madame Aline dat wij, mijn vrouwelijke en mannelijke jaargenoten, onze Eerste Communie deden. Veel kan ik mij van die, waarschijnlijk intense, voorbereiding niet meer herinneren, behalve de bevelende tokjes van de sleutel van Madame Aline op de communiebank, bedoeld om op min of meer hetzelfde moment dezelfde daad te stellen. Tok 1 : knielen, tok 2 : handen onder het communiebankkleed, tok 3 : ogen dicht, tok 4 : tong uit de mond, tok 5 : hostie ontvangen, tok 6 : zonder er op te bijten de hostie proberen binnen te krijgen, tok 7 : handen vanonder het kleed, tok 8 : rechtstaan, tok 9 : naar onze plaats en daar met de handen vóór onze ogen in stilte tot Jezus bidden. Dat getok en de erbij horende bijna krijsende stem van madame Aline en haar collega van de meisjesschool, juffrouw Meert, is een geluid dat mij lang is bijgebleven.

 

In verband met mijn eerste communie herinner ik mij volgende gebeurtenis.

Ons moe ging, in verband met het komende feest, bij haar kapster. Dat was Dieken die op het einde van de Baardegemstraat in Droeshout woonde. Ik was met ons moe op mijn klein fietsje meegereden, langs de Molenstraat waar we eerst nog efkes bij Kornels binnengingen (bij Louise, Maurice en Remy). Omdat er bij Dieken nogal veel vrouwen met dezelfde intentie als ons moe zaten te wachten, waagde ik het om alleen naar huis te rijden. Dat was nogal tegen mijn natuur in want, zoals al geschreven, ik was geen echte held en ik moest toch een paar honderd meter in de kouter rijden, zonder huizen in de buurt. Op een gegeven moment, toen ik namelijk tot de vaststelling kwam dat het huis van Kornels wat lang op zich liet wachten, sloeg de paniek toe en kon ik mij zeer goed tegenhouden van lachen. Wat was er gebeurd ? Ik had aan de splitsing de Bosstraat, de baan die naar de vliegtoren leidde, genomen in plaats van de baan rechts richting Maxens. Ik heb dan maar voor het eerst in mijn leven beroep gedaan op mijn oriëntatievermogen en steeds de kerktoren in ’t oog gehouden. Zo kwam ik via de Kerkhofstraat terug op het juiste pad, maar ik heb er wel een jarenlange kouterfobie aan overgehouden.

Meester Paul

Meester Paul was van 1920. Hij was dus 31, in de fleur van zijn leven als ik bij hem in het derde studiejaar zat. Hij gaf les met een dergelijk groot enthousiasme dat ik altijd aan zijn lippen hing, zeker tijdens de lessen waarbij hij op één of andere manier zijn belevenissen in de tweede wereldoorlog kon betrekken - en dat was in bijna elke les.

'Ik was op vlucht in Frankrijk, en ik had van iemand een verrekijker gekregen, zo eentje met één oog. Daar kon ik ongelooflijk ver mee kijken, zeker van hier tot in Aalst. Op een gegeven moment kom ik aan een brugje maar daar was controle : iedereen werd gefouilleerd. Wat moest ik met mijn verrekijker doen ? Als ik hem onder mijn vest hield, zouden ze hem vinden en zouden ze beginnen vragen stellen. Dus heb ik hem maar in de beek gegooid'. Daar stopte zijn verhaal. Maar hij liet ons met levensgrote vragen achter : 'Zou die verrekijker daar nu nog liggen ? Zou de meester hem nog gaan zoeken ? Zou hij hem nog kunnen terugvinden ?'

Hij vertelde ook graag verhalen, écht gebeurde - zo beweerde hij -, met een komische inslag. Eén verhaal heeft hij misschien wel tien keer verteld, ook omdat we er hem naar vroegen : 'Meester, vertel nog eens over die jongen die bij u kwam en niet zo mooi Vlaams kon spreken'. En de meester : 'Wel, er kwam eens een jongen iets zeggen over zijn vriend Paul met deze woorden : Meester, Paal eeft aan onze karzen en aan onze stekelbaarzen gezoten'.

 

 

 

 

 

 

 

 

Meester Paul leerde ons ook zingen en voordragen, 'Door de bergen van d' Ardennen'', 'Broeders gaat het kindje zoeken', 'Er is een kindeken geboren op aard', 'Klompen aan de voet', 'Schilder herfst', 'We reizen om te leren', 'De Mei is daar, de milde Mei', 'Wij stappen lustig door het land' en ontelbaar veel meer liedjes en gedichtjes.

 

Op de koer voetbalde hij ook altijd mee. Hij was trouwens thuis in vele sporten, vooral fietsen kon hij als geen ander. Ook die fietsexploten werden handig-didactisch verwerkt in één of andere les.

'Ik reed op de Aubisque in de Pyreneeën. In de afzink waren de trommelremmen door het veelvuldig gebruik heet aangelopen en kon ik ze ten langen laatste zelfs niet meer gebruiken. Ik reed steeds sneller en sneller maar kon er niets aan doen. Ik dreigde in de afzink te vallen, toen ik juist naast de baan een wegje zag dat steil naar omhoog liep. Daar kon ik mij inschieten en dat heeft mij het leven gered.' Ademloos hebben dit verhaal zeker vijf keer aanhoord. En steeds was het in spanning afwachten hoe het zou aflopen want wij dachten dat er toch eens een andere wending aan het verhaal kon gegeven worden en dat de meester dat klein baantje misschien niet zou opmerken. En dan hè ?

Met meester Paul gingen we ook vaak extramuros : wandelen met de klas van meester Troch van Tinnenhoek naar 't Kravaalbos, op reis naar Oostakker en Overmere-Donk.

 

Bij meester Paul deden pen en inkt ook definitief hun intrede. Nee, nog geen vulpen, maar een eenvoudige pennenstok en daarin geschoven een pen die op geregelde tijdstippen - vanwege ouderdom of vanwege te hard gedrukt of vanwege gevallen - aan vervanging toe was. In iedere bank waren twee gaten, één voor elke leerling, waarin perfect een inktpotje in email paste. Daar kwam meester Paul op eenvoudige aanvraag gitzwarte inkt ingieten. Dat was na elke lange onderbreking als een kerst- of paasvakantie zeker nodig omdat er dan op de inkt een vel stond. Dat vel moest eerst, met de pen, vakkundig worden verwijderd vooraleer de meester er zijn kostbaar goedje ingoot. Dat schrijven met pen en inkt was een echte kunst en wat betreft vlekken op handen, boeken, schriften, pull-over en broek, niet van gevaar ontbloot. Soms was, als je te lang gewacht had om een in de inktpot gedoopte pen te gebruiken, de inkt wat opgedroogd en moest je de natuur een helpende hand reiken door met speeksel en tong de zaak terug op gang te krijgen. Op de koer werd een jongen met inktvlekken op wijsvingertop en tong volstrekt niet als abnormaal aanzien. Het ergste wat je kon overkomen was als je net op je nieuwjaarsbrief had geschreven : 'van je liefste doopkind Eric', dat er precies op dat moment een druppeltje inkt op je wenskaart viel. Dat was ofwel een nieuwe nieuwjaarsbrief kopen en thuis geld moeten vragen ofwel de vlek te lijf gaan met de inktgom. Het tweede middel sloot niet altijd het eerste uit want het gebeurde wel eens dat we zo hevig te keer waren gegaan dat mét de vlek ook een stuk papier was verdwenen.

 

Bij meester Paul maakte we ook kennis met een nieuwe medestudent, die duidelijk een paar jaar onze leeftijd overtrof (hij was van 1940) : Frans van Wieters Zjef (Frans Van der Meersche). Hij was niet zo hoog begaafd en sprak een taal die - op een paar woorden na - niemand van ons verstond.

De speciale aanpak van de minderbegaafden stond waarschijnlijk nog in zijn kinderschoenen, maar toch waagde meester Paul het op een keer Frans een blad papier en een potlood te geven. Toen hij een half uurtje later weer wat tijd vond om zich met Frans individueel bezig te houden, was papier en potlood mysterieus verdwenen. 'Awel Frans waar is uw potlood en uw blad ?'. Waarna Frans met het nodige begeleidende en herhaalde gebaar van zijn hand naar zijn mond : 'Opgee'n'. Een gevoel van angst overviel ons : was hier niet een kannibaal onder ons opgestaan ? Onze vrees was onterecht want Frans heeft bij mijn weten nooit iemand iets misdaan en werd steevast alleen op de laatste bank gezet. Alleen, zodat hij met geregelde tussenpozen, zijn hoofd op de bank kon leggen om te slapen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De jongens van mijn jaar en één jaar ouder bij meester Paul.

Boven van l. naar r. : Theo Vandermeersch, Jozef De Clerck, Alfons Hofman, Ivo Van Lembergen, Frans De Clerck, ik, Frans Robberechts, Raymond De Block

Midden van l. naar r. : Adolf De Meersman, Robert Heyvaert, Alfons Crabbe, Jozef Vinck, Benoit Saerens, Laurent Fieremans, Freddy Guldolf

Onder van l. naar r. : Julien De Zutter, Maurice Vandenbosssche, Urbain De Ridder, Jozef Peirlinckx, Frans Moortgat, Jozef Auxelaert, Willy Crombé

 

 

Meester Boeykens

Na het derde studiejaar verhuisden we naar meester Boeykens waar we het vierde en vijfde studiejaar doorliepen. Zijn klaslokaal was boven dat van meester Mon, dus op de eerste verdieping.

Waarom meester Boeykens met zijn familienaam werd benoemd, in tegenstelling tot de anderen, is mij altijd een raadsel gebleven. Meester Jan zou toch beter gepast hebben bij deze lieve man ?

 

In het schooljaar 1952-1953 zaten wij met de groten van het vijfde studiejaar samen in volgende graadklas :

 

Vierde studiejaar

Auwelaert Jozef, Crabbe Alfons, Crombé Willy, De Bie Eric, De Clerck Frans, De Clerck Jozef, Fieremans Laurent, Guldolf Freddy, Heyvaert Robert, Peirlinckx Jozef, Saerens Benoit, September Jean-Marie , De Ridder Urbain, Van den Abbeele Roger, Vinck Jozef

Vijfde studiejaar

De Block Raymond, De Meersman Adolf, De Zutter Julien, Hofman Alfons, Moortgat Frans , Robberechts Frans, Van den Bossche Maurice, Van de Meerssche Theo, Van Lembergen Ivo

 

Dat schooljaar van 412 halve dagen, begon op 15 september 1952 en eindigde op 9 juli 1953. Er was enkel zaterdagnamiddag en uiteraard zondag vrijaf.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meester Boeykens leerde ons goed rekenen en vraagstukken oplossen en mooie gedichtjes : 'Witte seringen, een hééééle boom, staan in de zon als een lentedroom'. Héééééle moesten we zó lang aanhouden tot we met onze beide handen en vertrekkende van onder, een cirkelvormige beweging hadden uitgevoerd. Eén van mijn studiegenoten slaagde er maar niet in om taal en beweging te coördineren. 't Is te zeggen hij deed het wel tegelijk, maar hij begon zijn cirkelvormige beweging steevast bovenaan. Meester Jan kon zich daar mateloos aan ergeren. Dacht hij dat die leerling met zijn voeten speelde ?

De maandagmorgen, wijl hij de laatste berichten over de duiven in de krant las, vroeg hij - bewijzend hoe breed zijn interesse wel was - altijd : ' Eric, wat heeft uw vader gisteren geschoten ? ' Door die vraag voelde ik mijn aanzien in de klas dadelijk groeien. En als ik dan nog kon zeggen : 'Een zijde en een kalle, meester', dan kon mijn maandag helemaal niet meer kapot.

 

Eén keer heb ik Frans Van der Meersche (want hij was met ons mee opgegaan omdat hij te groot werd om bij meester Paul te blijven zitten) bij meester Boeykens nog een actieve daad weten stellen. Dat was toen wij, na het eten van overrijpe mispels, onze restanten door het raam op de galerie van de speelplaats mochten gooien. Daar heeft hij ijverig aan meegedaan en hoewel zijn restafval niet altijd dóór maar vaak ook óp het raam terechtkwam was meester Boeykens niet eens kwaad.

 

In één vak was meester Jan géén kraan : zang. Het laatste lesuur vrijdagnamiddag, werden wij daarom naar de grote klas bij meester Mon gestuurd.

 

Meester Mon

Meester Mon was de meester van het zesde, zevende en achtste studiejaar en tevens de hoofdonderwijzer.

Hij was een strenge meester maar één uit de duizend, met een onwaarschijnlijke gedrevenheid. Hij leerde ons zingen en tekenen met Chinese inkt, rekenen en algebra, Nederlands en Frans, opstellen schrijven en taalzuiverheid, de rivieren van België en de stromen in de wereld, het verschil tussen één- en tweezaadlobbigen. Hij leerde ons alles. Als het kon zo levensecht mogelijk. Zo heb ik eens op onze kruiwagen een eksternest dat uit één van de canada's van Carléjes bosken gewaaid was, meegebracht naar school. Zo'n nest was een echte sensatie : groot (zo'n anderhalve meter doormeter) en met doornige takken gemaakt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Of meester Mon steeds de meeste verantwoorde pedagogische middelen gebruikte weet ik niet. Ik ben zelfs bijna zeker van niet. Hij was niet altijd even soepel en kon soms een klein beetje onmenselijk zijn.

 

Zo moest Ropken (Roger De Rop), mijn vriend van een lager studiejaar, de tekst van het Belgisch Volkslied, dat door de meester zo keurig op het bord was geschreven, voorlezen. En hij las : 'Zes dierbaar België, zes heilig land der vaderen'. Onmiddellijk kreeg hij enige litsen rond zijn oren. Onterecht bleek dra. Want wat was er gebeurd ? De meester had zijn hoofdletter O in zijn mooiste sierschrift geschreven, maar was vergeten die krul te sluiten waardoor die fraaie letter ook wat geleek op het cijfer 6.

 

En Marcelleken van Lienissens (Marcel Jansegers) was een namiddag afwezig gebleven omdat hij naar de brand, die was uitgebroken in het huis van zijn peter in Nijverseel, was gaan zien. Hij gaf dat de volgende dag ook aan als reden van zijn afwezigheid. Toch kreeg hij van de meester nogal zijn eiten mee en moest hij als straf honderd keer schrijven : 'Ik ben scholier en geen pompier'.

 

Bij meester Mon moesten we ook vrij regelmatig een opstel schrijven. Ik herinner mij een passage uit een opstel van Benoit : ' Wij waren aan het voetballen en ik kreeg een bal op mijn neus. Het bloed stroomde weg ...'

En Laurent Fieremans (wij zegden liefkozend Raken omdat hij zo’n lieve jongen was) gebruikte vrij regelmatig een zin waarmee hij blijkbaar de eerste keer veel succes had geoogst. Die ging ongeveer als volgt : 'Remi Van Lembergen liet een dikke scheet en hij vloog weg'.

 

Met vijf man streden we altijd om de zo gegeerde eerste plaats bij de prijskampen : Urbain De Ridder, Benoit Saerens, Frans De Clerck, Alfons Crabbe en ikzelf. Wie het ging halen was moeilijk te voorspellen en soms kwam het op een kwartpunt aan.

Eens kregen we bij stillezen een raar geformuleerde vraag, iets in de aard van : je gaat de boom links voorbij, welke is dan de gevolgde windrichting ? Frans, Alfons en ik hadden geantwoord wat de meester verwachtte maar Urbain en Benoit probeerden met stevige argumenten te bewijzen dat zij gelijk hadden. En omdat ze bijlange niet onder een kloek gebroed waren besloot meester Mon wijselijk de vraag te annuleren. Ik moet er eerlijkheidshalve aan toevoegen dat ik na de argumentatie van beiden zelf begon te twijfelen.

Eén keer heb ik op vrij oneerlijke wijze nipt de eerste plaats bezet. Dat kwam zo. Rond mijn twaalfde begon bijziendheid mij sterk te hinderen, maar een bril zag ik om speltechnische redenen niet zo zitten. Bovendien zou dat weeral geld kosten en dat wilde ik ons moe, die vrij constant met geldschaarste worstelde, besparen. Dus mocht ik van de meester aan de grote tafel vlak bij het bord komen zitten om de op het bord geschreven vragen van het proefwerk op te lossen. Bij de aardrijkskundige vraag : 'Welke zee ligt er tussen Egypte en Arabië ?' begon ik plots te twijfelen : was het nu Dode of Rode zee ? Gelukkig bracht de naast mij staande wereldbol soelaas. Ik was achteraf beschaamd in mezelf om zo veel oneerlijkheid en heb er in de lagere school nooit meer tegen gezondigd.

 

Meester Mon was, zoals al gezegd, een gedreven man. Hij was ook niet hebzuchtig. Zo gaf hij Franse les onder de middag en er was geen dwingend karakter om hem hiervoor te betalen. Maar op een keer was hij toch eens bijzonder kwaad tijdens die Franse les en toen zwaaide hij met een boekje waarmee hij bewees dat hij de laatste twee maanden slechts vijf frank had ontvangen als royale bijdrage voor zijn bijlessen. Met : 'Ik kan er mij nog geen pakje sigaretten mee kopen', bewees hij de schamelheid van onze gestorte giften. Want roken deden toentertijd nog álle meesters : meester Paul rolde zijn sigaretten met tabak van 't Haantje, wat meester Boeykens rookte weet ik niet meer, en meester Mon zijn merk was lichte St-Michel in de rode pakjes. Dat weet ik nog zeer goed omdat we om beurten eens een pakje mochten halen in 't baantje in de winkel van Poline de smokklelès.

 

Die Franse les volgde een ontstellend duidelijk en eenvoudig didactisch stramien. Dat ging als volgt. Uit een boek moesten we Franse teksten vertalen naar het Nederlands (we mochten daarvoor wel heel dikke dictionaires gebruiken). Dan kregen we een lesuur tijd om die Nederlandse tekst proberen te vertalen in het Frans (met het handboek in de geburen om af en toe nog eens te raadplegen). En de volgende dag kwam dan in onze cahier naast de Nederlandse vertaling de definitieve Franse versie. Nadien werden die Franse teksten grammaticaal ontleed en zo leerden we alle tijden en vervoegingen, tot de Conditionnel en de Plus-que-parfait toe. En die teksten waren niet van de poes. Zo herinner ik mij het lesje van ‘Une tuyeau de pipe en terre’, ‘Mère repasse un tablier’ en één van een pastoor die bij een doodziek mens ‘Les derniers sacraments’ bracht.

Het was misschien niet de meest moderne methode om een taal te leren maar we hebben er een ontzettend grote Franse woordenschat mee opgebouwd en ook grammaticaal stonden we heel sterk. Zo heb ik in de eerste drie jaren van mijn Humaniora geen bal moeten doen voor Frans.

 

Ook voor wiskunde – rekenen zegden we toen - waren we, zo heb ik later ondervonden in het college, vooruit op andere leeftijdsgenoten. In stelkunde (algebra) leerden we vergelijkingen oplossen. ‘Een term die van lid verandert, verandert van teken’, was dé basisregel om dat te doen. Ik heb een paar lessen niet begrepen wat dat ‘van lid veranderen’ precies wilde zeggen en heb mij dan maar beholpen door te ‘proberen’ : een waarde aan de onbekende x geven en zien of de gelijkheid dan opging. Tot Urbain mij eens een tipje gaf en de hemel weer helemaal opklaarde.

 

Tijdens de lessen van aardrijkskunde maakten we vaak gebruik van een blinde kaart. De meester had een aantal stempels ter grootte van een schriftblad met de contouren van België plus het specifieke gedeelte : met de provinciegrenzen of met de puntjes waar de belangrijkste steden precies lagen of met de waterlopen of met de landstreken, ... Regelmatig drukte de meester één van die stempels in onze schrijfboek van aardrijkskunde en dan moesten we bijvoorbeeld al de provinciegrenzen in een verschillende kleur tekenen en er de naam bijzetten. Of moesten we al de bijrivieren van de Schelde vanaf de bron (de hoogvlakte van Saint-Quentin) tot de monding blauw kleuren en er de naam bijschrijven.

 

Zoals al gezegd gaf meester Mon ook zangles aan alle jongens van de 3e en 4e graad. Vrijdagnamiddag kwamen de jongens van meester Boeykens het laatste uur erbij. Een deel schoof gewoon op een bank bij, zodat er dan drie man opzat. Een ander deel, de bassen, moest vooraan aan zijn lessenaar gaan staan.

De eerste zangles was voor de minderbegaafde zangers een echte marteling. De meester kwam met zijn rechteroor vervaarlijk dicht bij onze mond luisteren en al vlug volgde een oordeel : ofwel kwam er een bemoedigend knikje ofwel werd kaak of oor tussen zijn sterke vingers gegeseld en volgde er een 'zwijg maar al'. Alsof één van die beide lichaamsdelen enige schuld had aan dat vals zingen.

Die valszingers probeerde hij af en toe nog eens op het rechte goeie muzikale pad te krijgen, misschien omdat hij zelf besefte dat het mislukte eerste optreden een gevolg kon zijn van een zekere zenuwachtigheid. Ik herinner mij een poging die heel faliekant voor de betrokken persoon, mijn vriend Raymond De Bolle, en voor mijzelf is afgelopen. Voor Raymond omdat hij altijd lager aanzette dan de meester opgaf en elke volgende noot gewoon wat lager zong dan de vorige, ongeacht het liedje dat we aanleerden; dat ging zo voort tot hij niet dieper meer kon en noodgedwongen moest stoppen. Voor mij omdat ik in een onbedaarlijke lach was geschoten. Ik had mij nochtans goed voorbereid op dit gebeuren want ik wist dat Raymond absoluut niet kon zingen en dat ik zeker niet mocht beginnen lachen, edoch het was sterker dan mezelf.

Beiden kregen we een saflet rond ons oren, misschien omdat de meester dacht dat mijn vriend het expres deed en dat ik hem uitlachte. Maar ik kan u verzekeren dat geen van beide beschuldigingen waar was : Raymond zong altijd valser dan een kater en het lag niet in mijn aard om iemand uit te lachen.

 

Geneeskundig onderzoek

Op regelmatige tijdstippen - ik denk zowat elke maand - kwam de schooldoktoor langs om onze lichamelijke toestand te evalueren. Dat was, omdat Baardegem niet over een eigen geneesheer beschikte, eerst de vieze dokter Van Maele van Moorsel, later - nadat die was gestorven in een auto-ongeluk - de veel zachtere dokter Bruintjes (dokter Van De Casteele) van Meldert. Dokter Van Maele was een ongelooflijk norse man die met een stokje in de hand de klas rondging, waarbij we op het gepaste moment onze handen langs beide kanten moesten tonen. Als die lichaamsdelen niet de nodige properheid vertoonden of er zat wat veel vuil onder onze nagels, dan durfde Dokter Van Maele wel eens zijn stokje gebruiken en ons - letterlijk - op de vingers tikken. Af en toe werd er - na samenspraak met de meester - iemand naar voor geroepen om zijn haar op de aanwezigheid van luizen te laten controleren.

Elk jaar was er het 'groot' onderzoek. Dan moesten we, alfabetisch gerangschikt, in de gang, angstig, onze beurt afwachten. Daar moesten we ons al van onze bovenkleren ontdoen. De rest werd in intiemere kring - in de klas achter een paravan - verder geregeld.

Al wachtend vroegen we dan steeds aan één van onze voorgangers : wat doet hij ? Waarop de aangesprokene met ne rooie kop : hij ziet er ne kieë nau ! Dat maakte ons angstig en onzeker : zou hij bij mij méér doen dan kijken ?

Achter de paravan moesten we onze broek en - indien aanwezig - onze onderbroek uitdoen. Met een soort friscostokje hief den doktoor onze flieter (penis) en de rest op, waarschijnlijk om de achterkant beter te kunnen controleren op de aanwezigheid van één of ander ongedierte. Nadien moesten we onze mond op de rugzijde van onze beide handen drukken en hard blazen. Als er dan in je lies een bol kwam had je een breuk en moest je naar de kliniek. Omdat ik daar een heilige schrik van had, blies ik nooit hard, kwestie van die bol te voorkomen.

Één maal heb ik meegemaakt dat den doktoor zich ongelooflijk kwaad maakte. Ik kon niet goed verstaan wat hij allemaal riep omdat het tegen een jongen van een hogere klas was en de feiten zich in een andere lokaal voordeden. Wat was er gebeurd ? Waarschijnlijk - ik ben niet zeker want er is nog een andere, pikantere versie - raakte de jongen bij het spel met het friscostokje zo in paniek dat hij recht in het gezicht van den doktoor piste.

 

Fotoalbum schooltijd

 

Over Baardegem, mijn dorp

Bij meester Mon leerden we ook alles over onze gemeente.

‘Baardegem is een dorp van 608 hectare en telt ongeveer 1800 inwoners. Het ligt in de provincie Oost-Vlaanderen en het grenst aan Meldert, Moorsel, Wieze, Lebbeke en de Brabantse gemeenten Opwijk en Mazenzele.

De naam Baardegem komt van het Germaanse Bardoheim, wat staat voor de woonplaats van de lieden van Bardo.

Onze gemeente behoorde tot het Denderbekken, behalve de zuidwestelijke hoek die tot de Rupelkom behoorde.

Wat de landbouwstreken betreft, ligt het in de zand-lemige streek.

Het laagste punt ligt op 12 meter boven de zeespiegel en bevindt zich op het Schuurken. Het hoogste punt ligt op 57 meter boven de zeespiegel en dat bevindt zich op de Elderberg waar de vliegtoren staat’.

Op dat hoogste punt van Baardegem, stond er inderdaad sedert 1932 een vliegtoren. Die was zelf zo’n 20 meter hoog en was eigenlijk een lichtbaken. Zo konden de vliegtuigen ook ’s nachts tussen Brussel en Londen vliegen.

Tijdens de oorlog werd hij niet gebruikt en nadien heb ik nog gezien dat hij als een soort oefentoren werd gebruikt door het leger. Dat duurde maar een tijdje en kort nadien had hij geen enkele functie meer. In 1969 werd hij afgebroken en in Gooik als een klokketoren heropgebouwd.

 

Jan Frans Vonck

Eén van de belangrijkste inwoners van Baardegem, zo leerde meester Mon ons, was Jan Frans Vonck. Hij werd geboren in Baardegem in 1743 en werd de leider van de Vonckisten tijdens de Brabantse Omwenteling in 1789. Deze opstand zorgde er voor dat de Oostenrijkers hier werden verjaagd. De kortstondige onafhankelijkheid van ‘België’ bracht wel onenigheid tussen de democraten van Vonck en de behoudsgezinden van Van der Noot. Deze laatste maneuvreerde Vonck weg. Deze vluchtte naar Rijsel waar hij stierf in 1792.

Ik heb het geboortehuis van Vonck beneden aan de Hoogstraat nog weten staan.

Over de ‘ontdekking’ van het graf van Vonck heb ik papa altijd het volgende horen vertellen.

‘In de zomer van 1923 was ik de kapel van de Heilige Barbara aan het herschilderen. Frans den boorder (Frans De Wolf) was een put aan het delven om pastoor Cornelis, die die dag aan tyfus was gestorven, te begraven. Ineens kwam Frans wit als een lijk aangelopen en riep hij : Jef, ik em de kist van Vonck gevonnen en dau komt bloed oit. Het wás inderdaad de loden kist van Vonck waar Frans op gestoten was en daaruit sijpelde wat roestkleurig water.

Met de toestemming van de procureur des Konings hakte den boorder de kist verder open. Toen zocht Meester Moortgat een vrijwilliger om in de kuil en de kist een kijkje te nemen. De witten van de Zaaten (Leon De Nil) van den Berg was onmiddellijk bereid om op de vraag in te gaan en haalde snel de muts van Vonck te voorschijn waaraan nog een heleboel pruikhaar vast hing. De muts werd proper gemaakt, in een doos gelegd en naar de school gebracht ‘.

De muts werd op regelmatige tijdstippen uit zijn doos gehaald om als didactisch materiaal aan de leerlingen van de volgende generaties te worden getoond. Jozef II, Vonck, Van der Noot, de Brabantse Omwenteling, voor ons had dat allemaal geen geheimen.

 

De kerk

Met meester Mon gingen we ook de kunstschatten van onze kerk bekijken. Die bevonden zich in de sacristij. Die kunstschatten waren een prachtige zilveren kelk uit de 16e eeuw en een schitterende stralenmonstrans uit de 17e eeuw. Ik denk dat dit de oudste bekende van ons bisdom was.

 

Onze kerk zelf is toegewijd aan de heilige Margareta. De heilige Margareta van Antiochië in Klein-Azië werd na de eerste kruistocht een bijzonder geliefde volksheilige. Ze werd aanroepen voor kinkhoest. Haar naamdag valt op 20 juli en op die dag was er altijd een processie en ommegang in en rond de kerk. Op die dag kwamen veel ouders met hun kleine kinderen beewegen en bidden opdat hun spruit nooit die vreselijke ziekte zou krijgen.

 

Onze kerk bevat enkele schitterende glasramen. Als ik naar het mesken – een niet-gezongen, dus gelezen mis – ging, dan zat ik altijd vooraan in de zijbeuk, waar nonkel Zjeen ook altijd zat. Daar kon ik op mijn gemak de twee grote glasramen in de zijbeuken bewonderen en in stilte de milde schenkers die er onder vermeld stonden, danken.

 

Een merkwaardigheid aan onze kerk was dat er in mijn jeugd geen functionerende klokken hingen. In de kleine was er door een bombardement in de eerste wereldoorlog een gat geslagen en de grote was in 1943, kort na mijn geboorte zei papa altijd, door de Duitsers gepikt en gesmolten.

Voortaan werd er ‘geluid’ met een koperen ketel waarop een hamer sloeg. Die Hitlerklok was geschonken door maalderij Fies. Op het einde van de jaren vijftig heeft een klokkengieter uit Doornik de twee klokken hergoten en sindsdien worden de parochianen weer op een normale manier naar de kerk geroepen.

 

Boven het hoofdaltaar hing een schilderij – de Kruisdraging - van Casper De Crayer. Het werk is gemaakt rond 1650. Van diezelfde schilder hingen ook werken in veel kerken van de omgeving : in Meldert, Wieze, Opwijk en Merchtem.

 

Fotoalbum Baardegem